ECLI:NL:CRVB:2009:BI9732
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks geschil over medische en arbeidskundige beoordeling
Appellante, die sinds april 1994 arbeidsongeschikt is vanwege rug- en vermoeidheidsklachten, ontving een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. Het UWV herzag deze uitkering per 30 november 2006 naar een lagere klasse van 25 tot 35%, omdat appellante volgens het UWV met haar beperkingen in staat zou zijn maximaal 25 uur per week te werken in gangbare functies.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat haar beperkingen, met name aan de rug, werden onderschat en dat zij slechts 12 uur per week kon werken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij enkele SBC-codes (functies) niet als passend achtte, maar vond dat er voldoende andere functies overbleven om het besluit te baseren.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV. De Raad wijst op het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts en de reumatoloog, waarin beperkingen zijn vastgesteld en een Functionele Mogelijkhedenlijst is opgesteld. Hoewel appellante recentelijk operaties heeft ondergaan, leidt dit niet tot de conclusie dat haar beperkingen per november 2006 zijn onderschat.
Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag constateert de Raad dat ondanks het wegvallen van twee SBC-codes, vier andere codes overblijven die passend zijn. De Raad concludeert dat het herzieningsbesluit terecht is genomen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot herziening van de WAO-uitkering en verklaart het beroep ongegrond.