ECLI:NL:CRVB:2009:BI9765

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4838 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbAbw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen herinneringsbrief inzake heffingskortingen

Appellante had bezwaar gemaakt tegen een brief van het College van burgemeester en wethouders van Breda van 2 oktober 2007, waarin zij werd herinnerd aan haar verplichting om de definitieve beschikking van de Belastingdienst over ontvangen heffingskortingen over 2006 te overleggen. Deze brief bevatte ten onrechte een bezwaarclausule.

Het College had eerder, bij besluit van 12 februari 2007, de bijstand van appellante herzien en een terugvordering opgelegd, waarbij ook de verplichting tot overlegging van de belastingbeschikking werd opgelegd. Het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit was deels gegrond verklaard en het terug te vorderen bedrag aangepast.

De rechtbank had het bezwaar tegen de brief van 2 oktober 2007 niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze brief geen zelfstandig besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht was. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat de brief slechts een herinnering betreft en geen zelfstandig besluit vormt, ondanks de ten onrechte opgenomen bezwaarclausule.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 juli 2008.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het bezwaar tegen de herinneringsbrief niet-ontvankelijk is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

08/4838 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 juli 2008, 08/1227 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: College)
Datum uitspraak: 9 juni 2009.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 28 april 2009, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Bij besluit van 12 februari 2007 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 juni 2006 tot en met 15 augustus 2006 herzien en de over die periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 794,57 van haar teruggevorderd. Tevens heeft het College in dit besluit aan appellante de verplichting opgelegd om vóór 1 oktober 2007 de definitieve beschikking van de Belastingdienst betreffende de door haar in 2006 ontvangen heffingskortingen te overleggen. Bij besluit van 19 september 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2007 gegrond verklaard in die zin dat het van appellante terug te vorderen bedrag nader is bepaald op € 442,20.
1.2. Bij brief van 2 oktober 2007 heeft het College appellante herinnerd aan de verplichting de definitieve beschikking van de Belastingdienst over 2006 te overleggen. Onderaan deze brief is een bezwaarclausule vermeld.
1.3. Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het College het bezwaar tegen de brief van 2 oktober 2007 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de betreffende brief een herinnering bevat van een reeds eerder opgelegde verplichting en niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 januari 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief van 2 oktober 2007 niet op enig zelfstandig rechtsgevolg is gericht en dus niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Abw kan worden aangemerkt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de inhoud van de brief feitelijk een herinnering aan de reeds eerder bij besluit van
12 februari 2007 opgelegde verplichting bevat. Het feit dat - ten onrechte - een bezwaarclausule is opgenomen maakt dit niet anders.
4.2. Uit hetgeen onder 4.1 is overwogen vloeit voort dat het bezwaar tegen de brief van 2 oktober 2007 terecht niet-ontvankelijkheid is verklaard en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2009.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) A. Badermann.
IA