ECLI:NL:CRVB:2009:BI9770

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5795 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:2 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag wegens niet tijdig aanleveren bankafschriften

Appellant diende op 3 oktober 2005 een aanvraag om bijstand in. Het College verzocht hem om ontbrekende stukken, waaronder bankafschriften van de afgelopen drie maanden, uiterlijk 10 november 2005 aan te leveren. Appellant heeft deze stukken niet binnen de gestelde hersteltermijn overgelegd, noch om verlenging verzocht. Het College liet de aanvraag op 14 november 2005 buiten behandeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb.

Appellant diende vervolgens op 23 november 2005 een nieuwe aanvraag in, waarop bijstand werd toegekend met ingang van die datum. Het bezwaar tegen het buiten behandeling laten van de eerste aanvraag en de toekenning van bijstand per 23 november werd door het College ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet tijdig de gevraagde stukken had kunnen aanleveren vanwege zijn psychische toestand en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat inlevering alleen op afspraak mogelijk was. De Raad stelde vast dat appellant voldoende tijd had gekregen en dat er geen aanwijzingen waren dat hij door zijn psychische toestand niet in staat was de stukken tijdig te overleggen of om uitstel te vragen. Ook ontbraken bijzondere omstandigheden om bijstand toe te kennen vóór 23 november 2005.

De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het College terecht de aanvraag van 3 oktober 2005 buiten behandeling heeft gelaten en dat de ingangsdatum van de bijstand op 23 november 2005 terecht is vastgesteld. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2009.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand van 3 oktober 2005 wordt buiten behandeling gelaten wegens het niet tijdig overleggen van gevraagde bankafschriften.

Uitspraak

07/5795 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 september 2007, 06/419 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 9 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 april 2009. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 3 oktober 2005 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend. Bij brief van 2 november 2005 heeft het College appellant gevraagd om uiterlijk op 10 november 2005 ontbrekende stukken in te leveren. Bij besluit van 14 november 2005 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten, op de grond dat appellant niet binnen de in de brief van 2 november 2005 genoemde termijn de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens heeft overgelegd.
1.2. Appellant heeft op 23 november 2005 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Het College heeft bij besluit van 1 december 2005 bijstand toegekend ingaande 23 november 2005.
1.3. Bij besluit op bezwaar van 10 februari 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 14 november 2005 en 1 december 2005 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 februari 2006 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De aanvraag van 3 oktober 2005
4.1. Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
4.2. Inzage in bankafschriften met betrekking tot de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode is in het algemeen noodzakelijk om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Het College heeft dan ook terecht verzocht om alle bankafschriften van de op naam van appellant staande girorekening van de afgelopen drie maanden.
4.3. De Raad stelt vast dat appellant de gevraagde bankafschriften niet binnen de bij brief van 2 november 2005 vergunde hersteltermijn heeft overgelegd. Naar het oordeel van de Raad is appellant, die niet heeft verzocht om verlenging van de hem gegeven termijn, voldoende tijd gegeven om de benodigde gegevens over te leggen. In dit verband wijst de Raad, evenals de rechtbank, er op dat appellant reeds vóór de bij brief van 2 november 2005 vergunde hersteltermijn bij brief van 25 oktober 2005 op de hoogte was gesteld van de aan hem, in het kader van zijn bijstandsaanvraag van 3 oktober 2005, gevraagde ontbrekende gegevens waaronder de bankafschriften over de laatste drie maanden. De Raad ziet verder in de stukken geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van appellant dat hij op grond van gesprekken met zijn contactpersoon, in de veronderstelling kon verkeren dat hij de gevraagde ontbrekende gegevens slechts op afspraak diende in te leveren en dat hij hiervoor vergeefs meerdere malen telefonisch contact met zijn contactpersoon heeft gezocht. Daarbij wordt nog opgemerkt dat appellant de gevraagde kopie van zijn verblijfsvergunning desondanks, zonder daarvoor een afspraak te maken, heeft ingeleverd bij de balie van de dienst Sociale Zaken en Werk gemeente Groningen. De Raad is niet gebleken dat appellant, ten tijde hier van belang, vanwege zijn psychische toestand buiten staat is geweest om over de gevraagde gegevens te beschikken en deze tijdig over te leggen of uitstel te vragen voor het aanleveren van de stukken.
4.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag voor bijstand van 3 oktober 2005 buiten
behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen
maken.
De aanvraag van 23 november 2005
4.5. Naar vaste rechtspraak van de Raad wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij de CWI heeft plaatsgevonden, dan wel in voorkomende gevallen de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
4.6. De Raad stelt vast dat appellant het standpunt inneemt dat sprake is van bijzondere omstandigheden om eerder dan 23 november 2005 bijstand toe te kennen zonder concreet aan te geven waaruit deze omstandigheden bestaan. Ook de Raad is, evenals de rechtbank, niet gebleken van bijzondere omstandigheden voor bijstandsverlening voorafgaand aan de op 23 november 2005 ingediende bijstandsaanvraag. De hieraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank worden volledig door de Raad onderschreven en leiden tot het oordeel dat het College de ingangsdatum op goede gronden op 23 november 2005 heeft gesteld.
4.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.8. Nu het beroep in eerste aanleg ongegrond is verklaard en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd, is er geen ruimte voor de door appellant in hoger beroep verzochte schadevergoeding zodat dit verzoek zal worden afgewezen.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2009.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) A. Badermann.
IA