ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0896
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- H.C.P. Venema
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder redelijke grond voor huisbezoek
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage beëindigde haar bijstand per 1 mei 2006, omdat zij met haar vriend een gezamenlijke huishouding zou voeren. Dit was gebaseerd op twee onaangekondigde huisbezoeken en onderzoek naar het woonadres van de vriend.
Appellante voerde aan dat het eerste huisbezoek onrechtmatig was omdat er geen redelijke grond voor was en dat zij niet juist was geïnformeerd over het doel en haar rechten. De Raad oordeelde dat het College voorafgaand aan het huisbezoek geen objectieve twijfel had en dat het huisbezoek daarom een onrechtmatige inbreuk op het huisrecht vormde. De bevindingen van dit huisbezoek moesten buiten beschouwing worden gelaten.
Het tweede huisbezoek was niet op ambtseed opgemaakt en niet met appellante besproken, waardoor het verslag niet betrouwbaar was. Bovendien was het enkele feit dat de vriend tijdens het huisbezoek aanwezig was en enkele persoonlijke spullen achterliet onvoldoende om te concluderen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Raad vernietigde het besluit van 31 juli 2006 en herroept het besluit van 18 mei 2006 wegens ondeugdelijke grondslag. Tevens veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd en het intrekkingsbesluit herroepen wegens onrechtmatig huisbezoek en onvoldoende bewijs.