ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.F. Bandringa
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring beroep intrekking en terugvordering bijstandsuitkering
Appellante ontving bijstandsuitkering van juni 2002 tot december 2003 en vanaf april 2004 op grond van de WWB. Na een signaal over onbekende bankrekeningen startte het College een onderzoek en trok de bijstand per april 2004 in, met terugvordering van €11.724,50. Het bezwaar werd deels gegrond verklaard, waarbij het terug te vorderen bedrag werd beperkt tot €5.741,81.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk omdat appellante niet voldoende had gereageerd op de gewijzigde gronden van het College. De Centrale Raad oordeelt dat het beroepschrift wel duidelijkheid bood over de geschilpunten en dat appellante mocht volstaan met verwijzing naar de gronden in bezwaar, mede omdat het College het terug te vorderen bedrag op andere gronden had gematigd.
De Raad vernietigt daarom de niet-ontvankelijkverklaring en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante en bepaalt dat de gemeente het betaalde griffierecht vergoedt.
De Raad merkt op dat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over het vermogen van appellante bij aanvang van de bijstand en dat nader onderzoek nodig is naar de bankrekeningen, dagwaarde auto en schulden. Dit is relevant voor de vaststelling van het terug te vorderen bedrag.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.