ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1663

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-902 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:66 AwbArt. 8:79 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake toekenning WGA-uitkering en beoordeling beroepsprocedure

Appellant heeft een WGA-uitkering aangevraagd na ziekmelding wegens oogklachten en ontving deze per besluit van het UWV. Tegen het besluit werd bezwaar gemaakt dat ongegrond werd verklaard, waarna appellant beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende motivering in de bezwaarprocedure, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat in de beroepsfase een voldoende onderbouwing was gegeven.

Appellant voerde in hoger beroep diverse gronden aan, waaronder de te lange duur van de bezwaar- en beroepsprocedures, vermeende partijdigheid van de rechtbank, het niet volledig behandelen van alle gronden, en ongelijke behandeling door de invoering van de Wet WIA tijdens zijn ziekteperiode. De Raad stelde vast dat de beroepsprocedure van ruim een jaar en vijf maanden niet onredelijk lang was en dat de rechtbank tijdig uitspraak had gedaan.

De Raad verwierp het verwijt van partijdigheid en oordeelde dat de rechtbank alle relevante standpunten voldoende had behandeld. Ook de stelling dat de voormalige werkgever reïntegratieverplichtingen zou hebben verzaakt, werd door de Raad onderschreven als ongegrond. De klacht over ongelijke behandeling faalde omdat de besluitvorming op basis van de Wet WIA rechtens juist was.

Tot slot wees de Raad een vordering tot schadevergoeding af wegens het ontbreken van onrechtmatige besluitvorming. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand waren gelaten en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep van appellant af.

Uitspraak

08/902 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 december 2007, 06/2290
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2009. Appellant is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich op 27 januari 2004 wegens klachten aan zijn rechter oog ziekgemeld voor zijn werkzaamheden als system engineer.
1.2. Appellant heeft een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 6 februari 2006 aan appellant met ingang van 24 januari 2006 een WGA-uitkering toegekend.
1.3. Het tegen het besluit van 6 februari 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 juni 2006 ongegrond verklaard.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 juni 2006 (hierna: bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank een aanvullende beslissing gegeven ter zake het griffierecht.
2.2. De rechtbank heeft overwogen dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen van appellant, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 januari 2006. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat de bezwaararbeidsdeskundige een aanvullende - en door de rechtbank voldoende geachte - motivering heeft gegeven van een op de FML voorkomende zogeheten verborgen beperking. Om reden dat het Uwv eerst in de beroepsfase deze motivering heeft gegeven, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft zij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten, omdat uiteindelijk de bezwaarbeidsdeskundige een voldoende gemotiveerde toelichting heeft gegeven op door het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) vermelde signaleringen.
3. De tegen de aangevallen uitspraak ingediende beroepsgronden slagen niet.
3.1. De grond die ziet op de duur van de bezwaarprocedure, te weten drieënhalve maand, faalt. De Raad onderschrijft het daarover in de aangevallen uitspraak in overweging
12 neergelegde oordeel van de rechtbank.
3.2. De grond die ziet op de duur van beroepsprocedure faalt eveneens. De Raad stelt vast dat het beroepschrift op 7 augustus 2006 door de rechtbank is ontvangen en dat de rechtbank 20 december 2007 uitspraak heeft gedaan, welke uitspraak op 28 december 2007 naar partijen is verzonden. De behandeling van het beroep heeft derhalve een jaar en bijna vijf maanden geduurd. Naar het oordeel van de Raad is dat niet onredelijk lang.
3.3. Bij brief van 12 november 2007 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld gebruik te maken van de in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geboden mogelijkheid tot verlenging van de uitspraaktermijn met zes weken. Vervolgens is uitspraak gedaan op 20 december 2007, welke uitspraak op 28 december 2007 naar partijen is verzonden, zoals is voorzien in artikel 8:79, eerste lid, van de Awb. Van een te late uitspraak en/of verzending daarvan, zoals appellant beweert, is dan ook geen sprake.
3.4. Appellant heeft ook aangevoerd dat de rechtbank een partijdige uitspraak heeft gedaan, waarin bovendien niet alle tegen het bestreden besluit aangevoerde gronden zijn opgenomen. Naar het oordeel van de Raad is het verwijt van partijdigheid van de rechtbank van iedere grond ontbloot. Voorts is de Raad van oordeel dat de rechtbank in haar uitspraak uitvoerig is ingegaan op alle standpunten van partijen voor zover deze voor de beslechting van het geschil tussen partijen relevant zijn te achten. Deze grief kan om die reden niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.
3.5. Appellant is voorts van mening dat zijn voormalige werkgever de op hem rustende reïntegratieverplichtingen heeft verzaakt. Ook deze beroepsgrond is door appellant in beroep reeds naar voren gebracht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daartoe door haar in overweging 13 van de aangevallen uitspraak geformuleerde overweging, zodat ook deze beroepsgrond faalt.
3.6. Ook de grond van appellant dat sprake is van ongelijke behandeling, omdat tijdens zijn ziekte de Wet WIA tot stand is gekomen zonder dat hij daartegen maatregelen heeft kunnen nemen, slaagt niet. De Raad is van oordeel dat, gelet op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, welke door het Uwv in het geval van appellant is bepaald op 27 januari 2004, de besluitvorming door het Uwv over de aanvraag van appellant op basis van de Wet WIA rechtens juist is te achten. Hieraan kan niet afdoen dat appellant bij een eerdere ziekmelding mogelijk had kunnen worden beoordeeld aan de hand van de naar zijn mening gunstiger wetgeving, welke gold voor een ziekmelding voor 1 januari 1994.
3.7. Ten slotte heeft appellant gesteld dat hij het Uwv aansprakelijk heeft gesteld voor alle kosten en schade. Voor zover appellant hiermee heeft beoogd schadevergoeding van het Uwv te vorderen, overweegt de Raad dat daarvoor naar zijn oordeel geen rechtsgrond aanwezig is nu niet sprake is van onrechtmatige besluitvorming.
4. Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep aangevochten: te weten voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand zijn gelaten, dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.V. Benza als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) R.V. Benza.
KR