ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen uitblijven beslissing bijstandsaanvraag onredelijk laat ingediend
Appellant, van Spaanse nationaliteit, heeft zich in maart 2004 gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) en stelt toen een aanvraag om bijstand te hebben ingediend. Pas in oktober 2007 maakte hij bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op deze aanvraag. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat er geen sprake zou zijn van een aanvraag en dus ook geen sprake van een fictieve weigering.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar onredelijk laat was ingediend, ook al achtte zij het niet onaannemelijk dat er een aanvraag was gedaan. In hoger beroep bevestigt de Raad dit oordeel. Zelfs als wordt aangenomen dat er een aanvraag was, is het bezwaar na ruim drieënhalf jaar ingediend, zonder dat appellant een verschoonbare reden gaf voor deze vertraging.
De Raad overweegt dat appellant na zijn melding bij het CWI een brief ontving waarin werd gewaarschuwd dat het aanvragen van bijstand zijn verblijfspositie als EU-onderdaan zou kunnen schaden. Appellant heeft daarop geen bezwaar ingediend en heeft later in 2005 een nieuwe aanvraag gedaan zonder de eerdere aanvraag te handhaven. Voor het tijdsverloop tussen 2005 en 2007 kon appellant geen verklaring geven. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op de bijstandsaanvraag is onredelijk laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard.