ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1996
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid bezwaar en vaststelling aflossingsbedrag bij bijstandsgeldlening
Appellante ontvangt sinds 1999 bijstand en heeft toen een geldlening van de gemeente Amsterdam ontvangen, vastgelegd in een akte van schuldbekentenis. Het College stelde in 2006 een aflossingsbedrag vast dat maandelijks op haar bijstand wordt ingehouden. Appellante verzocht om kwijtschelding van de vordering vanwege de ouderdom ervan en verwees naar de Algemene bijstandswet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep. Zij voerde aan dat het onderliggende besluit niet kon worden getoond, dat het College onvoldoende op haar kwijtscheldingsverzoek was ingegaan en dat haar betalingsverplichting aan de Postbank niet was meegenomen.
De Raad oordeelde dat de vordering terecht als bevoorrecht wordt aangemerkt en dat het College geen rekening hoefde te houden met de Postbankbetalingen. Ook werd vastgesteld dat het kwijtscheldingsverzoek een nieuw primair besluit betreft, waardoor het beroep daarop niet ontvankelijk is. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak hierover en veroordeelde het College in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het kwijtscheldingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard, de rest van de uitspraak bevestigd en het College veroordeeld in de kosten.