ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning AOW-pensioen na bewijs van feitelijk verblijf in Nederland ondanks Duitse inschrijving
Appellant had een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen krachtens de AOW. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde volledige toekenning omdat appellant volgens het bevolkingsregister in Duitsland stond ingeschreven tussen 1968 en 1973. Appellant stelde dat hij wel in Duitsland werkte, maar feitelijk in Nederland woonde, en dat de inschrijving in Duitsland uitsluitend was vanwege zakelijke vergunningen.
De Svb handhaafde haar standpunt, maar appellant leverde getuigenverklaringen en andere bewijsstukken aan die bevestigden dat hij dagelijks vanuit Nederland naar zijn werk in Duitsland reisde en in Nederland premies volksverzekeringen betaalde. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het bewijs onvoldoende was, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat er sprake was van een plausibele verklaring en voldoende tegenbewijs.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de Svb een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van de bevindingen. Tevens veroordeelde de Raad de Svb tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd appellant het recht op een AOW-pensioen van 92% toegekend.
Uitkomst: Appellant krijgt een AOW-pensioen toegekend omdat hij voldoende tegenbewijs leverde dat hij feitelijk in Nederland woonde ondanks inschrijving in Duitsland.