ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van geen nieuwe feiten
Appellant, sinds 1982 arbeidsongeschikt verklaard en destijds uitkeringsgerechtigd, verzocht in 2003 om herziening van het besluit tot intrekking van zijn WAO-uitkering per 1 april 1982. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening konden rechtvaardigen. Appellant voerde aan dat zijn gezondheid verslechterd was en overhandigde medische verklaringen, waaronder buitenlandse documenten en een verklaring van een chirurg uit 1983.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische stukken geen wezenlijk andere gegevens bevatten dan die reeds bekend waren bij het oorspronkelijke besluit. De Raad vond dat het UWV in redelijkheid tot het bestreden besluit kon komen en dat er geen sprake was van strijd met geschreven of ongeschreven rechtsregels of algemene rechtsbeginselen.
Appellant stelde ook dat er sprake zou zijn van racistische motieven bij de beoordeling van zijn aanspraken, maar de Raad vond hiervoor geen aanwijzingen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en wees het beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot weigering van herziening van de intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd.