ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens ontbreken Nederlanderschap en geen bijzondere omstandigheden
Appellant heeft op 13 februari 2006 een aanvraag om bijstand ingediend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Helmond wees deze aanvraag op 2 maart 2006 af omdat appellant geen Nederlander is en niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld zoals bedoeld in artikel 11 van Pro de WWB. Het bezwaar tegen dit besluit werd eveneens ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het bezwaar ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Hij voerde aan dat op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand kan worden verleend bij zeer dringende redenen, en dat in zijn situatie sprake zou zijn van een bijzonder geval dat deze bepaling buiten toepassing zou laten.
De Raad oordeelde dat het beroep op artikel 16, eerste lid, niet slaagt omdat het tweede lid van dit artikel dit uitsluit voor vreemdelingen die niet met een Nederlander zijn gelijkgesteld. De door appellant aangevoerde problematische verblijfsrechtelijke situatie en financiële positie vormen geen grondslag om artikel 16 buiten Pro toepassing te laten. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant wordt afgewezen omdat hij geen Nederlander is en geen bijzondere omstandigheden zijn vastgesteld.