ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3078
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds 1989 gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en vanaf 1993 volledig arbeidsongeschikt, kreeg een WAO-uitkering toegekend. Na een onderzoek in 2005 stelde een verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarop een arbeidsdeskundige geschikte functies baseerde. Het UWV beëindigde de WAO-uitkering per 27 maart 2006 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV, maar liet de rechtsgevolgen intact. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar medische beperkingen werden onderschat en dat de geselecteerde functies ongeschikt waren. De Raad oordeelde dat de medische grondslag voldoende was onderbouwd, mede op basis van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts die de FML onderschreef.
Het UWV had adequaat toegelicht dat de functies passend waren. Het betoog van appellante dat de FML onjuist was, verwierp de Raad. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en handhaafde het besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering. Een kostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.