ECLI:NL:CRVB:2010:BO3942
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van gedeeltelijke WAO-uitkering ondanks betwiste beperkingen
Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen niet voldoende werden meegewogen bij de vaststelling van haar WAO-uitkering. Het UWV had eerder besloten haar uitkering per 27 maart 2006 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, maar dit besluit werd door de rechtbank bevestigd. Vervolgens kende het UWV per 31 maart 2008 een WAO-uitkering toe van 25-35% arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de medische beoordeling en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) waarop het besluit is gebaseerd, adequaat rekening houden met de beperkingen van appellante. Hoewel appellante stelde dat haar gezondheidssituatie slecht was en zij niet in staat was tot werkzaamheden, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt met medische onderbouwing.
De Raad concludeerde dat de beperkingen niet zijn onderschat en dat appellante in staat wordt geacht de functies te vervullen die aan de schatting ten grondslag liggen. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot toekenning van een WAO-uitkering van 25-35% wordt bevestigd.