ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3310
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen, waaronder bombardementen op Semarang en verblijf in het oerwoud bij haar oom. Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat zij direct getroffen was door oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
De Raad overwoog dat directe betrokkenheid bij bombardementen vereist is, waarbij factoren als afstand tot inslagen, aard van schuilplaats en directe confrontatie met verwondingen van belang zijn. Appellante kon dit niet aannemelijk maken. Het verblijf in het oerwoud werd gezien als een uit voorzorg genomen veilige schuilplaats zonder voorafgaande handeling van de bezettende macht, waardoor dit niet onder de Wet valt.
Verder was appellante niet verschenen bij de zitting en had zij geen inhoudelijke reactie gegeven op het sociaal rapport. Ook het beroep op eerdere uitkering van haar moeder werd verworpen omdat die uitkering op een andere wettelijke grondslag was gebaseerd. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.