ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3367
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Haar aanvraag werd afgewezen door de Pensioen- en Uitkeringsraad, omdat niet was komen vast te staan dat zij directe betrokkenheid had gehad bij oorlogsgeweld tijdens de Japanse bezetting, met name bij bombardementen op Fak-Fak.
In beroep stelde appellante dat zij onder levensbedreigende omstandigheden had moeten vluchten en sindsdien gezondheidsklachten ondervindt door de erbarmelijke leefomstandigheden in de bossen. Verweerster stelde dat de vlucht een voorzorgsmaatregel was en dat er geen aanwijzingen waren van directe levensbedreiging of directe betrokkenheid bij bombardementen. De Raad volgde dit standpunt, wijzend op het ontbreken van specifieke herinneringen aan het vallen van bommen in haar directe omgeving en het feit dat zij zich in een schuilplaats bevond op circa 150 meter van de inslagen zonder melding van slachtoffers.
De Raad concludeerde dat de omstandigheden waaronder appellante leefde onder algemene oorlogsomstandigheden vielen en niet kwalificeerden als oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Een medische beoordeling was niet aan de orde omdat directe betrokkenheid niet was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.