ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3368
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering gelijkstelling appellant met vervolgingsslachtoffe Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellant, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2006 een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zijn aanvraag werd afgewezen omdat hij geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en niet voldoet aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet.
De Raad overwoog dat vervolging onder de Wet wordt gedefinieerd als vrijheidsberoving door opsluiting in kampen of gevangenissen met permanente bewaking tijdens de Japanse bezetting. Appellant heeft geen dergelijke vrijheidsberoving ondergaan. Daarnaast voldeed hij niet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met de vervolgde, omdat hij niet voldeed aan de eisen van nationaliteit en woonplaats.
De Raad concludeerde dat de weigering van verweerster om appellant met de vervolgde gelijk te stellen op goede gronden berust. De moeilijke omstandigheden waaronder appellant als wees is opgegroeid, kunnen hieraan niets afdoen. Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens het niet voldoen aan de vereisten voor vervolging en gelijkstelling.