ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering WW-, BBWO- en Ziektewetuitkeringen wegens zelfstandige werkzaamheden
Appellant ontving vanaf 2 augustus 2004 uitkeringen op grond van de WW en het BBWO en van 10 januari 2005 tot 21 november 2005 een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde bij besluiten van september en oktober 2006 deze uitkeringen en vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug, omdat appellant vanaf 20 augustus 2004 volledig als zelfstandige werkzaam was.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij slechts drie uur per week als zelfstandige werkte, beschikbaar bleef voor de arbeidsmarkt en aan zijn sollicitatieplicht had voldaan, en dat hij daarom recht had op de uitkeringen en de Ziektewetuitkering op grond van nawerking.
De Raad oordeelde op basis van het rapport werknemersfraude en de gedingstukken dat appellant in die periode zodanig als zelfstandige werkzaam was dat geen recht op WW-uitkering bestond. Omdat appellant geen opgave deed van zijn werkzaamheden mocht het UWV een schatting maken, waarbij het risico van een nadelige schatting voor appellant was. De Raad verwierp het verweer dat beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt en sollicitatieplicht relevant waren.
Verder was appellant door de beëindiging van de WW-uitkering niet meer verzekerd voor de Ziektewet op het moment van ziekte, zodat ook de Ziektewetuitkering terecht werd ingetrokken. Omdat het BBWO alleen aanvulling biedt bij recht op Ziektewetuitkering, bestond ook geen recht op BBWO-uitkering. De terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkeringen werd bevestigd. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging en terugvordering van de WW-, BBWO- en Ziektewetuitkeringen wegens zelfstandige werkzaamheden vanaf 20 augustus 2004.