ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant is in hoger beroep gegaan tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering per 5 maart 2006 te beëindigen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
De Raad stelt vast dat appellant sinds een hersenbloeding in 1995 aanvankelijk volledig arbeidsongeschikt was, maar volgens medisch en verzekeringsgeneeskundig onderzoek in latere jaren weer tot lichte werkzaamheden in staat is. De behandelend neuroloog en de verzekeringsarts onderschrijven de functionele mogelijkhedenlijst, waarin beperkingen zijn vastgelegd.
Appellant bracht geen nieuwe medische informatie in die twijfel zou kunnen zaaien over de juistheid van de beoordeling. Een hersenbloeding in 2009 is te laat om het oordeel over de situatie in 2006 te beïnvloeden. De arbeidsdeskundige heeft de geschiktheid van functies adequaat toegelicht.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Breda. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.