ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum draagkrachtvaststelling studieschuld 2006 op 1 augustus 2006
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage waarin werd geoordeeld dat de IB-Groep de ingangsdatum van de draagkrachtvaststelling over 2006 terecht had vastgesteld op 1 augustus 2006. Appellant stelde dat hij reeds in november 2005 een draagkrachtformulier had verzonden en dat hij op basis van contacten met de IB-Groep mocht vertrouwen dat dit formulier was ontvangen. Tevens voerde hij aan dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden.
De Raad heeft vastgesteld dat het geschil zich beperkt tot de vraag of de ingangsdatum van de draagkrachtvaststelling terecht op 1 augustus 2006 is vastgesteld. De Raad oordeelt dat appellant geen wezenlijk nieuwe feiten of argumenten heeft aangedragen die aanleiding geven tot een andere beslissing. De stellingen over eerdere indiening en het vertrouwensbeginsel zijn door de rechtbank afdoende gemotiveerd verworpen.
De Raad wijst erop dat de door appellant aangevoerde aanvullende verzoeken per fax en via het steunpunt studiefinanciering niet met feitelijke gegevens zijn onderbouwd. Ook ziet de Raad geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen, omdat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn gebleken die dit rechtvaardigen. De overgelegde stukken over de psychische gezondheid van appellant betreffen niet het jaar 2006 en bieden geen grond voor een afwijking.
Gelet op het voorgaande wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: De ingangsdatum van de draagkrachtvaststelling over 2006 wordt bevestigd op 1 augustus 2006; appellant hoeft vanaf 1 september 2006 niets terug te betalen.