ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5665
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks geschil over medische en arbeidskundige grondslag
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de herziening van zijn WAO-uitkering door het UWV, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd teruggebracht van 80-100% naar 15-25%. De rechtbank had het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten omdat de functies waarop de schatting was gebaseerd voldoende waren toegelicht.
Appellant betwistte in hoger beroep dat de medische grondslag juist was en stelde dat hij zijn beperkingen waren onderschat, waardoor hij de functies niet kon vervullen. Het UWV stelde dat de proceskostenveroordeling door de rechtbank onjuist was vanwege het ontbreken van de gemachtigde van appellant bij de zitting.
De Raad overwoog dat appellant in essentie zijn eerdere gronden herhaalde en dat de rechtbank deze gronden afdoende had gemotiveerd. De aanvullende medische stukken die appellant had ingediend, boden geen aanleiding tot twijfel aan het oordeel van de rechtbank. Er was geen reden een onafhankelijke medische deskundige in te schakelen.
De Raad vond dat appellant met de vastgestelde beperkingen de functies kan vervullen en verklaarde het hoger beroep van appellant ongegrond. Het hoger beroep van het UWV was gegrond wat betreft de proceskosten, die werden vastgesteld op € 322,-. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van deze kosten aan de griffier.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijzigt de proceskostenveroordeling ten gunste van het UWV.