ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5831
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- R. Kooper
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand per 7 november 2003 wegens bijstandbehoevende omstandigheden
Appellant heeft op 7 november 2003 een bijstandsuitkering aangevraagd, welke aanvankelijk door het College van B&W van Amsterdam werd afgewezen omdat appellant niet op het opgegeven adres zou wonen. Na bezwaar en diverse procedures heeft de rechtbank het besluit van het College vernietigd wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het College handhaafde zijn standpunt in een nieuw besluit van 12 december 2006, dat ook werd bestreden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij in financiële moeilijkheden verkeerde, zijn café heeft moeten staken, en door zijn zoon en schoondochter werd onderhouden. Het College heeft onvoldoende gemotiveerd waarom appellant niet in bijstandbehoevende omstandigheden zou verkeren en ten onrechte aangenomen dat appellant niet op het adres van zijn zoon woonde.
De Raad vernietigt het besluit van 12 december 2006 en het primaire besluit van 9 januari 2004, en bepaalt dat appellant per 7 november 2003 recht heeft op bijstand volgens de norm voor een alleenstaande zonder toeslag. De overige hoger beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten en dient het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Appellant krijgt bijstand toegekend vanaf 7 november 2003; eerdere besluiten worden vernietigd.