ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5935

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6137 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing over ingang WAJONG-uitkering zonder verdere terugwerkende kracht

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem waarin werd geoordeeld dat het UWV terecht geen verdere terugwerkende kracht heeft verleend bij de toekenning van haar WAJONG-uitkering per 6 april 2003.

Zij stelde dat het UWV een vijf-jaarsbeleid voert waarbij uitkeringen bij onjuiste beëindiging met vijf jaar terugwerkende kracht worden toegekend, en verwees naar een eerdere uitspraak van de Raad (LJN AG8301) ter onderbouwing. Het UWV ontkende het bestaan van een dergelijk beleid.

De Raad oordeelt dat het vijf-jaarsbeleid geen zelfstandig beleid is dat op appellante van toepassing is, maar onderdeel vormt van een specifiek beleid voor een bijzondere groep gehuwde vrouwen. Aangezien appellante niet tot deze groep behoort, kan zij hieraan geen rechten ontlenen.

Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 augustus 2009.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAJONG-uitkering niet met verdergaande terugwerkende kracht dan toegekend kan worden.

Uitspraak

08/6137 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 september 2008, 08/377 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 augustus 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Leeuwen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J. van den Elsaker.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
Op 10 juli 2009 is het onderzoek ter zitting hervat. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.S. Winkel.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de feiten en omstandigheden van belang verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
2. Het Uwv heeft aan appellante per 6 april 2003 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
3. De rechtbank is bij de aangevallen uitspraak – kort samengevat en voor zover hier van belang – tot het oordeel gekomen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen redenen zijn om de uitkering met verdergaande terugwerkende kracht dan is gedaan toe te kennen.
4.1. Appellante heeft zich in hoger beroep beperkt tot de beroepsgrond dat de rechtbank heeft miskend dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het door hem gevoerde vijf-jaarsbeleid. Dat beleid komt er, naar appellante heeft gesteld, op neer dat toekenning van een uitkering niet met één jaar, maar met vijf jaar terugwerkende kracht geschiedt in die gevallen dat in het verleden een onjuiste beslissing is genomen tot beëindiging van uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Appellante heeft ter staving van haar stelling dat het Uwv het vijf-jaarsbeleid voert gewezen op de uitspraak van de Raad van 16 december 1996, LJN AG8301, waarin dit beleid is vermeld.
4.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift en ter zitting het bestaan van een vijf-jaarsbeleid als door appellante bedoeld ontkend.
5.1. De Raad volgt appellante niet in haar standpunt. Uit de door appellante genoemde uitspraak volgt dat het vijf-jaarsbeleid geen zelfstandig op gevallen als dat van appellante ziend beleid is. Het vijf-jaarsbeleid vormt een onderdeel van het beleid regelende de datum van ingang van uitkeringen aan een als categoriaal als bijzonder geval aangemerkte groep van gehuwde vrouwen waarvan sprake is in de uitspraak van de Raad van 9 mei 1994, RSV 1994/212.
5.2. Appellante kan, nu zij niet behoort tot de groep van vrouwen bedoeld in 5.1, geen rechten ontlenen aan dit beleid.
5.3. Het hoger beroep van appellante treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) T.J. van der Torn.
KR