ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- J. Riphagen
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens anticumulatie met arbeidsinkomsten
Appellant, ontvanger van een WAO-uitkering, werd geconfronteerd met terugvordering van een bedrag van €4.765,67 bruto wegens anticumulatie van inkomsten uit arbeid met zijn uitkering over de periode 2005-2006. Het UWV had deze terugvordering vastgesteld na bezwaar deels gegrond te verklaren, maar de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de toepassing van artikel 44 WAO Pro met terugwerkende kracht onrechtvaardig was, mede omdat hij tijdig loonstroken had ingediend en op grond van een brief van januari 2006 en een gesprek met een arbeidsdeskundige in september 2006 mocht vertrouwen dat geen verdere terugvordering zou plaatsvinden. De Raad overwoog echter dat de bewoordingen, doel en strekking van artikel 44 WAO Pro de toepassing met terugwerkende kracht niet uitsluiten en dat anticumulatie bij wisselende arbeidsinkomsten achteraf moet plaatsvinden.
De Raad verwierp het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, omdat geen uitdrukkelijke toezegging was gedaan die het UWV zou binden. Ook de gedeeltelijke uitbetaling van de uitkering in 2005-2006 en de eerdere verrekeningen sinds 2003 maakten het voor appellant duidelijk dat een nadere verrekening mogelijk was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WAO-uitkering wegens anticumulatie met arbeidsinkomsten.