ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6134

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3276 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 ZWArt. 47a ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging schorsingsbesluit Ziektewet wegens onjuiste ingangsdatum schorsing

Appellant had zich per 1 januari 2007 ziek gemeld en ontving een Ziektewetuitkering die tot 12 februari 2007 werd uitbetaald. Het UWV schortte de uitkering op met ingang van 29 januari 2007 wegens het niet opvolgen van een oproep van de reïntegratiemedewerker. Appellant was uitgenodigd voor een gesprek op 24 januari 2007, waarop hij schriftelijk reageerde met voorwaarden voor verschijnen. Vervolgens werd hij opnieuw uitgenodigd voor 5 februari 2007, met een duidelijke waarschuwing over de gevolgen van niet verschijnen.

De Raad oordeelde dat de schorsing pas kan ingaan vanaf 5 februari 2007, omdat appellant op 23 januari 2007 nogmaals was gewaarschuwd en in de gelegenheid was gesteld te verschijnen. Het besluit van het UWV met ingang van 29 januari 2007 houdt juridisch geen stand en wordt daarom vernietigd. Het UWV moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met een correcte ingangsdatum.

Daarnaast werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant, waaronder een vergoeding van het griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van de wettelijke bepalingen omtrent schorsing van uitkeringen en de zorgvuldigheid die het UWV in dit soort besluiten moet betrachten.

Uitkomst: Het besluit tot schorsing van de Ziektewetuitkering per 29 januari 2007 wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen met ingang van 5 februari 2007.

Uitspraak

08/3276 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 29 april 2008, 07/642 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 augustus 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Alta, advocaat te Hoogeveen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. London.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.2. Appellant heeft zich per 1 januari 2007 ziek gemeld. Bij besluit van 31 januari 2007 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 januari 2007 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Uitbetaling van deze uitkering heeft plaats gevonden tot
12 februari 2007.
2. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit op bezwaar van 20 februari 2008 (bestreden besluit) ongegrond is verklaard. Bij dit besluit heeft het Uwv een eerdere beslissing tot het treffen van een maatregel herroepen en in plaats daarvan onder meer beslist dat de betaling van het ziekengeld van appellant met ingang van 29 januari 2007 opgeschort (lees: geschorst) wordt in verband met het feit dat appellant zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan een oproep van het Uwv. Voor het bepalen van de ingangsdatum van de schorsing heeft het Uwv aangesloten bij de eerstvolgende betaaldag nadat appellant voor de eerste keer, te weten op 24 januari 2007, geen gevolg had gegeven aan de oproep van de reïntegratiemedewerker.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Ingevolge de artikelen 47a, derde lid, aanhef en onder c en 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ziektewet (ZW) en de op basis van deze artikelen vastgestelde Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Besluit van 24 november 2006, Stcrt. 230) schorst het Uwv de betaling van ziekengeld indien hij van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat betrokkene zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek ingevolge de ZW gedaan om te verschijnen.
3.3. De Raad heeft in dit verband vastgesteld dat appellant bij brief van 18 januari 2007 is uitgenodigd voor een gesprek met re-integratiemedewerker Kamphuis op
24 januari 2007. Appellant heeft hierop op 22 januari 2007 schriftelijk gereageerd en aangegeven dat hij alleen onder een aantal door hem genoemde voorwaarden zal verschijnen. Vervolgens is appellant bij brief van 23 januari 2007 uitgenodigd om te verschijnen op maandag 5 februari 2007. Bij deze uitnodiging is het volgende aangegeven:
“Er kunnen omstandigheden zijn waardoor u beslist niet in de gelegenheid bent te komen. U moet ons in zo’n geval zo snel mogelijk telefonisch informeren….
Voor de volledigheid willen wij u er op wijzen dat u verplicht bent gehoor te geven aan de oproep. Dit is nodig om uw uitkeringsrechten te kunnen vaststellen. Als u zonder geldige reden niet verschijnt, kunnen wij geen uitkering betalen.”
Op 29 januari 2007 heeft appellant schriftelijk gereageerd op deze uitnodiging en wederom aangegeven alleen te zullen verschijnen onder een aantal door hem genoemde voorwaarden.
3.4. De Raad is van oordeel dat nu appellant op 23 januari 2007 nogmaals in de gelegenheid is gesteld te verschijnen en bij die gelegenheid gewezen is op de gevolgen van het niet gehoor geven aan de oproep eerst met het niet verschijnen op 5 februari 2007 sprake is van de in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c genoemde situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek te verschijnen. De ingevolge artikel 47a, derde lid, aanhef en onder c opgelegde schorsing kan dan ook niet eerder ingaan dan 5 februari 2007. Dit betekent dat het bestreden besluit waarbij de ingangsdatum op 29 januari 2007 is bepaald in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.
3.5. In verband met het feit dat uitbetaling van de uitkering heeft plaatsgevonden tot 12 februari 2007 en een eerdere terugvordering over de periode van 29 januari 2007 en 12 februari 2007 is komen te vervallen overweegt de Raad ten overvloede dat een schorsing van de uitkering met ingang van 12 februari 2007 de toetsing van de Raad wel zou kunnen doorstaan.
4. Uit hetgeen onder 3.4 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden vernietigd.
5.1. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad als volgt.
5.2. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 februari 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant vergoedt het door hem betaalde griffierecht van
€ 107,-
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M.A. van Amerongen.
TM