ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6539
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vrijwillige verhuizing
Appellante was werkzaam als vestigingsmedewerkster in een dienstverband voor onbepaalde tijd en woonde oorspronkelijk in een andere plaats dan waar zij ging werken. Zij nam ontslag per 1 maart 2007 vanwege een verhuizing naar haar partner in een andere woonplaats, omdat dagelijks reizen niet mogelijk was. Het UWV weigerde haar WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid, omdat de verhuizing niet als onvermijdelijk werd beschouwd maar voortkwam uit persoonlijke voorkeur.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens strijd met de Awb, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat zij het standpunt van verwijtbare werkloosheid onderschreef. De rechtbank oordeelde dat appellante een voorzienbaar werkloosheidsrisico had genomen door zonder uitzicht op werk in de nieuwe woonplaats ontslag te nemen en dat het behoud van haar baan zwaarder woog dan haar verhuiswens.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad stelde vast dat de wens om met haar partner te gaan samenwonen en te verhuizen niet meebrengt dat van appellante redelijkerwijs niet kon worden verlangd het dienstverband voort te zetten. Ook waren er geen toezeggingen van het CWI die een recht op WW-uitkering zouden rechtvaardigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd wegens verwijtbare werkloosheid.