ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WW-uitkering directeur grootaandeelhouder wegens ontbreken gezagsverhouding
Appellante was directeur grootaandeelhouder van een bedrijf en ontving een WW-uitkering. Het Uwv stelde na onderzoek vast dat zij niet als werknemer in dienstbetrekking werkzaam was en dat zij haar positie als directeur grootaandeelhouder niet had gemeld, waardoor zij de inlichtingenplicht had geschonden. De WW-uitkering werd daarop herzien.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij niet als werknemer kon worden aangemerkt. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij feitelijk wel in loondienst was en dat de zeggenschap formeel bij een ander lag, maar de Raad verwierp dit verweer.
De Raad stelde dat de formele positie als grootaandeelhouder en de daarmee samenhangende zeggenschap doorslaggevend zijn voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding. Het feit dat appellante opdrachten kreeg van een ander deed hieraan niet af. De getuigenis die appellante wilde aanvoeren werd niet toegelaten.
De Raad concludeerde dat het Uwv terecht de WW-uitkering heeft herzien omdat appellante niet voldeed aan de wekeneis en de inlichtingenplicht had geschonden. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WW-uitkering bevestigd.