ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6547
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening besluit erkenning vervolgingsslachtoffer
Appellant, geboren in 1930 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in november 2004 een aanvraag in om erkend te worden als vervolgingsslachtoffer en in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Deze aanvraag werd in mei 2005 afgewezen wegens onvoldoende bewijs van de gestelde vrijheidsberoving.
In oktober 2006 verzocht appellant om herziening van dit besluit en diende getuigenverklaringen in. Na nader onderzoek handhaafde verweerster de afwijzing in juni 2007. Ook in bezwaar werden aanvullende getuigenverklaringen aangevoerd, maar deze boden onvoldoende concrete nieuwe feiten om het eerdere besluit te herzien.
De Raad oordeelt dat de discretionaire bevoegdheid van verweerster tot herziening terughoudend moet worden getoetst en dat de aangevoerde nieuwe feiten niet zodanig nieuw licht werpen op het oorspronkelijke besluit dat herziening gerechtvaardigd is. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot herziening wordt ongegrond verklaard.