ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6574
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen afwijzing periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers
Appellant, geboren in 1940, diende in november 2007 een aanvraag in voor een periodieke uitkering als vervolgde op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Verweerster erkende appellant als vervolgde en aanvaardde dat appellant psychische klachten heeft die verband houden met de vervolging, maar wees de uitkering af omdat deze klachten niet tot een verminderd functioneren leidden ten opzichte van leeftijdsgenoten.
Appellant stelde bezwaar in tegen dit besluit, maar verweerster verklaarde dit bezwaar ongegrond. De Centrale Raad van Beroep onderzocht het beroep en baseerde zich op medische adviezen van twee geneeskundig adviseurs, waaronder een rapport van arts G. Kho. Uit deze adviezen bleek dat de psychische klachten van appellant niet ernstig genoeg waren om beperkingen te veroorzaken die een verminderd functioneren rechtvaardigen.
De Raad vond het bestreden besluit deugdelijk voorbereid en gemotiveerd en zag geen reden om te twijfelen aan het standpunt van verweerster. Appellant had geen aanvullende gegevens aangeleverd die tot een ander oordeel zouden leiden. Hoewel appellant een toename van nachtmerries meldde, was dit volgens de medische advisering niet voldoende om een verminderd functioneren aan te nemen.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door A. Beuker-Tilstra op 20 augustus 2009.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de afwijzing van de periodieke uitkering wordt ongegrond verklaard.