ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6574

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5919 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffersArt. 8 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffersArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen afwijzing periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers

Appellant, geboren in 1940, diende in november 2007 een aanvraag in voor een periodieke uitkering als vervolgde op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Verweerster erkende appellant als vervolgde en aanvaardde dat appellant psychische klachten heeft die verband houden met de vervolging, maar wees de uitkering af omdat deze klachten niet tot een verminderd functioneren leidden ten opzichte van leeftijdsgenoten.

Appellant stelde bezwaar in tegen dit besluit, maar verweerster verklaarde dit bezwaar ongegrond. De Centrale Raad van Beroep onderzocht het beroep en baseerde zich op medische adviezen van twee geneeskundig adviseurs, waaronder een rapport van arts G. Kho. Uit deze adviezen bleek dat de psychische klachten van appellant niet ernstig genoeg waren om beperkingen te veroorzaken die een verminderd functioneren rechtvaardigen.

De Raad vond het bestreden besluit deugdelijk voorbereid en gemotiveerd en zag geen reden om te twijfelen aan het standpunt van verweerster. Appellant had geen aanvullende gegevens aangeleverd die tot een ander oordeel zouden leiden. Hoewel appellant een toename van nachtmerries meldde, was dit volgens de medische advisering niet voldoende om een verminderd functioneren aan te nemen.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door A. Beuker-Tilstra op 20 augustus 2009.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de afwijzing van de periodieke uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

08/5919 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Frankrijk, (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 20 augustus 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 30 september 2008, kenmerk BZ 47960, JZ/B70/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2009. Daar is appellant, zoals tevoren was bericht, niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde op grond van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Bij besluit van 13 juni 2008 is appellant op grond van ondergane burger-internering erkend als vervolgde en daarbij is aanvaard dat appellant psychische klachten (kenmerken van PTSS) heeft die in verband staan met de ondergane vervolging. Een periodieke uitkering heeft verweerster aan appellant niet toegekend, op de grond dat de met de vervolging verband houdende psychische klachten niet hebben geleid tot een verminderd functio-neren ten opzichte van leeftijdsgenoten. Een verband met de ondergane vervolging heeft verweerster niet aanvaard ten aanzien van de neuspoliepen, longklachten en huidklachten. Het door appellant tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt als volgt.
2.1. Om voor een periodieke uitkering op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet in aanmerking te komen moet bij de vervolgde sprake zijn van een buiten staat zijn om het in artikel 8 van Pro de Wet bepaalde grondslaginkomen te verwerven als gevolg van ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd. Bij personen die, zoals appellant, niet meer zijn aangewezen op inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf, hanteert verweerster hierbij de, door de Raad in vaste rechtspraak aanvaarde, maatstaf dat sprake moet zijn van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten.
2.2. Naar uit de gedingstukken blijkt is het standpunt van verweerster in overeen-stemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen zijn gebaseerd op een rapport van een bij appellant verricht medisch onderzoek door een van deze adviseurs, de arts G. Kho. Uit de adviezen komt naar voren dat de psychische klachten van appellant niet zodanig ernstig zijn dat deze tot beperkingen leiden.
2.3. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voor-bereid en gemotiveerd. In de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster ingenomen standpunt, zoals onder 1 weergegeven. Er zijn van de zijde van appellant geen gegevens ingediend die tot een ander oordeel moeten leiden. Appellant heeft weliswaar aangegeven dat de nachtmerries zijn toegenomen maar, zoals ook namens verweerster ter zitting is toegelicht, uit de medische advisering komt naar voren dat bij de verergering van de nachtmerries, zoals door appellant al in bezwaar naar voren gebracht, ook niet zodanige beperkingen zijn ontstaan dat die wel hebben geleid tot een verminderd functioneren als onder 2.1 bedoeld.
3. Gezien het voorgaande wordt de onder 2 geformuleerde vraag bevestigend beantwoord en dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) K. Moaddine.
HD