ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6578
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs oorlogscalamiteiten
Appellante, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees haar aanvraag af, en handhaafde dit besluit na bezwaar.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het beroep en stelde vast dat algemene oorlogsomstandigheden niet kwalificeren als grond voor erkenning. Uit het onderzoek van verweerster, waarbij historische gegevens en dossiers van familieleden werden geraadpleegd, bleek geen bevestiging van de door appellante genoemde calamiteiten. Zo kon zij niet getuige zijn geweest van het bijna vermoorden van haar oom of het slaan van haar stiefvader, omdat zij op die momenten elders verbleef en haar moeder haar stiefvader pas na de oorlog leerde kennen.
Ook was onvoldoende bewijs voor wreedheden in kamp Tjideng of bedreiging met een pistool die als extreem geweld zou gelden. Evenmin was vastgesteld dat de vlucht naar het Petjodoplein plaatsvond onder levensbedreigende omstandigheden of dat appellante direct betrokken was bij ongeregeldheden.
Gelet op deze feiten verklaarde de Raad het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 augustus 2009.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van oorlogscalamiteiten.