ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds oktober 1996 bijstand als alleenstaande ouder. Na een anonieme tip startte de Sociale Recherche Flevoland een onderzoek naar haar woonsituatie en die van appellant, waarbij werd onderzocht of sprake was van een gezamenlijke huishouding. Het College van burgemeester en wethouders van Almere trok de bijstand van appellante per 1 juli 1997 in en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode tot januari 2006, omdat zij meende dat appellanten samenwoonden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat voor de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2004 onvoldoende feitelijke grondslag bestond om aan te nemen dat appellant zijn hoofdverblijf bij appellante had. Voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 22 februari 2006 was dit echter wel aannemelijk.
De Raad stelde vast dat appellante vanaf 1 januari 2005 haar inlichtingenplicht had geschonden en dat het College bevoegd was de bijstand vanaf die datum in te trekken. De terugvordering werd beperkt tot de kosten van bijstand over 2005 en januari 2006, die hoofdelijk werden teruggevorderd van appellanten. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: De bijstand wordt ingetrokken per 1 januari 2005 met terugvordering van kosten over die periode en hoofdelijke aansprakelijkheid van appellanten.