ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6824
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet verschijnen op gesprekken en onvoldoende medewerking
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College nodigde hem uit voor gesprekken om zijn arbeidsinschakeling en uitkeringsrecht te beoordelen, maar appellant verscheen zonder bericht niet op de afspraken van 15 en 28 juni 2006. Het College schortte vervolgens de bijstand op en trok deze met ingang van 1 juni 2006 in wegens het niet verstrekken van noodzakelijke inlichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de handhaving van deze intrekking ongegrond, waarbij werd overwogen dat appellant voldoende gelegenheid had gekregen om te verschijnen en dat het niet lezen van post voor zijn risico komt. In hoger beroep stelde appellant dat hij de eerste brief niet had ontvangen en dat de tweede uitnodiging te kort voor het gesprek was, maar de Raad concludeerde dat beide brieven wel degelijk waren ontvangen en dat de termijnen redelijk waren.
De Raad oordeelde dat aan de voorwaarden van artikel 54, vierde lid, WWB was voldaan en dat het College in redelijkheid van haar bevoegdheid tot intrekking gebruik had gemaakt. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd omdat appellant niet is verschenen en onvoldoende medewerking verleende.