ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7002
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging kennelijk ongegrondverklaring bezwaar tegen dagloon vaststelling in WAO-uitkering
Appellante, voormalig schoonmaakster en later werkzaam in WSW-verband, maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar dagloon waarop haar WAO-uitkering werd gebaseerd. Het bezwaar richtte zich uitsluitend op de hoogte van het dagloon en niet op de mate van arbeidsongeschiktheid of op de beëindiging van de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verklaarde het bezwaar van appellante op 19 april 2007 kennelijk ongegrond. De rechtbank Maastricht verklaarde het daaropvolgende beroep eveneens ongegrond. Appellante stelde dat het dagloon gebaseerd moest worden op haar verdiensten in WSW-verband.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat, aangezien er geen toename van de mate van arbeidsongeschiktheid was, artikel 40 van Pro de WAO, dat ziet op het opnieuw vaststellen van het dagloon, niet van toepassing is. De uitzondering voor WSW-arbeid in artikel 44, derde lid, WAO verklaart waarom de toepassing van artikel 44 niet Pro na drie jaar werd beëindigd.
Verder werd geoordeeld dat appellante niet onterecht niet is gehoord, aangezien zij en haar gemachtigde destijds geen hoorzitting wensten. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het bezwaar tegen de hoogte van het dagloon kennelijk ongegrond is verklaard.