ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7040

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4700 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 ZiektewetArt. 7:12 AwbArt. 8:75 AwbArtikel 4.b.1 CAO voortgezet onderwijs 2006-2007Artikel 4.b.2 CAO voortgezet onderwijs 2006-2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens voortzetting dienstverband ondanks werktijdfactorverlaging

Appellante was docent met een tijdelijk dienstverband dat liep tot het einde van het schooljaar of het herstel van een zieke collega. Haar werktijdfactor werd gedurende het dienstverband verlaagd, maar haar functie en overige arbeidsvoorwaarden bleven ongewijzigd. Appellante meldde zich ziek en vroeg ziekengeld aan, dat door het UWV werd geweigerd omdat het dienstverband formeel nog bestond.

De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens onvoldoende motivering, maar oordeelde dat het UWV terecht ziekengeld had geweigerd omdat het dienstverband pas eind maart 2007 eindigde toen de collega volledig was hersteld. Appellante ging in hoger beroep tegen dit oordeel.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de verlaging van de werktijdfactor slechts een gedeeltelijk verval van de betrekkingsomvang betrof en niet het einde van het dienstverband. Er was geen wijziging in functie of arbeidsvoorwaarden. De Raad oordeelde dat op grond van de relevante CAO en de Ziektewet geen recht op ziekengeld bestond vóór het formele einde van het dienstverband.

De Raad verwierp het beroep van appellante en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 augustus 2009.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op ziekengeld vóór het formele einde van haar dienstverband.

Uitspraak

08/4700 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 4 juli 2008, 07/624 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 augustus 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G. Wind, advocaat in dienst van de Algemene Onderwijsbond te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2009.
Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Wind. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H.H.J. Krijnen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is met ingang van 31 augustus 2006 door de Stichting voor Openbaar Voortgezet Onderwijs Walcheren aangesteld als docent en als zodanig gaan werken bij de Stedelijke Scholengemeenschap [naam scholengemeenschap] te [plaatsnaam]. Op het tijdstip van aanvang van dit dienstverband had de betrekking een werktijdfactor van 0,68. De aanstelling geschiedde in een dienstverband voor bepaalde tijd en wel voor de duur van de afwezigheid van een zieke docent doch uiterlijk tot het einde van het schooljaar. In de akte van aanstelling is bepaald dat de aanstelling van rechtswege expireert, zodra genoemd verlof om welke reden dan ook eindigt.
1.2. Met ingang van 18 september 2006 is de aanstelling tijdelijk uitgebreid met een werktijdfactor van 0,12. In verband met het geleidelijk herstel van de zieke docent is de omvang van de betrekking van appellante per 15 januari 2007 teruggebracht naar een werktijdfactor van 0,56 en per 26 februari 2007 naar 0,40. Met ingang van 28 maart 2007 heeft die docent haar werk volledig hervat, zodat de aanstelling van appellante toen van rechtswege eindigde.
1.3. Bij brief van 12 februari 2007 heeft appellante zich bij het Uwv met ingang van 28 november 2006 ziek gemeld.
2. Bij besluit van 15 maart 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij geen recht had op ziekengeld.
3. Bij besluit van 25 mei 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 maart 2007 ongegrond verklaard, onder overweging dat op de werkgever per 28 november 2006 een verplichting tot loondoorbetaling als bedoeld in artikel 29 van Pro de Ziektewet rustte.
4.1. De rechtbank heeft het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank was het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd, omdat volledig was voorbijgegaan aan de door appellante aangevoerde bezwaren en de motivering van het bestreden besluit later was gewijzigd.
4.2. De rechtbank heeft onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 13 september 2006 (LJN AY8174) bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv gelet op artikel 29, tweede lid, onder c, van de Ziektewet aan appellante naar aanleiding van haar ziekmelding terecht uitkering van ziekengeld geweigerd, omdat haar dienstverband eerst eind maart 2007 is geëindigd toen vorenbedoelde collega haar werk geheel had hervat.
5. Het hoger beroep van appellante is gericht tegen het onder 4.2 weergegeven oordeel van de rechtbank.
6. De Raad heeft het volgende overwogen.
6.1. Uit het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van de rechtbank blijkt dat aan appellante met ingang van 28 maart 2007 ziekengeld is toegekend. Tussen partijen is dan ook in geschil de vraag of voor die datum sprake was van een situatie waarop het bepaalde in artikel 29, tweede lid, onder c, van de Ziektewet ziet, te weten dat aan appellante ziekengeld dient te worden toegekend omdat haar dienstbetrekking met ingang van 15 januari 2007 dan wel 26 februari 2007 is geëindigd.
6.2. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden die vraag anders te beantwoorden dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad stelt in navolging van de rechtbank vast dat de aanstelling van appellante met ingang van 15 januari 2007 en vervolgens met ingang van 26 februari 2007 weliswaar is teruggebracht naar een werktijdfactor van 0,56 respectievelijk 0,40, maar dat voor het overige geen wijziging in het dienstverband is opgetreden. Er is niet gebleken van een wijziging in functie of van de overige arbeidsvoorwaarden. Naar het oordeel van de Raad gaat het hier om het verval van een gedeelte van de betrekkingsomvang, zoals vermeld in het door appellante aangehaalde artikel 4.b.2 van de CAO voor het voortgezet onderwijs 2006-2007, en niet om het einde van het dienstverband, zoals vermeld in artikel 4.b.1. van die CAO. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet worden gesproken van een beëindiging van de dienstbetrekking als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onder c, van de Ziektewet.
6.3. Aan het door appellante genoemde arrest van de Hoge Raad van 27 november 1998 (LJN ZC2791) kan geen grond worden ontleend voor een ander oordeel.
7. Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 tot en met 6.3 volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, moet worden bevestigd.
8. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M.A. van Amerongen.
TM