ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering na beoordeling medische en arbeidskundige geschiktheid
Appellant, die sinds 1998 arbeidsongeschikt is wegens hartklachten, heeft een WAO-uitkering ontvangen die in 2002 werd beëindigd. Na melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2006 kende het UWV opnieuw een WAO-uitkering toe, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat zijn beperkingen groter waren en dat de urenomvang van de maatman onjuist was vastgesteld.
In de bezwaarprocedure en de rechtbankfase werd vastgesteld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsartsen en een bezwaarverzekeringsarts, die concludeerden dat er geen medische gronden waren voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid of urenbeperking. Ook de arbeidskundige beoordeling vond dat de functies die appellant kon verrichten passend waren, zonder onredelijke belasting of hoge werkdruk.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze conclusies. De Raad vond dat het UWV terecht de urenomvang van de maatman op 40 uur per week had vastgesteld, mede op basis van loongegevens. Er was geen nieuwe medische informatie die een ander oordeel rechtvaardigde. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering ongewijzigd bevestigd.