ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8000

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2542 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 26 december 2005

Appellante was sinds 6 november 2001 arbeidsongeschikt vanwege nek- en schouderklachten en ontving een WAO-uitkering van 80 tot 100% vanaf 5 november 2002. Het UWV trok deze uitkering per 26 december 2005 in, omdat de arbeidsongeschiktheid volgens medische rapporten was afgenomen tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige onderschreef.

In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Raad vond geen reden om het eerdere oordeel te wijzigen. De rapporten van de bezwaarverzekeringsarts, met name het rapport van 20 maart 2007, waren overtuigend en toonden aan dat het neuropsychologisch onderzoek geen extra beperkingen rechtvaardigde. Ook het feit dat appellante na 18 juli 2006 volledig arbeidsongeschikt werd geacht, leidde niet tot een ander oordeel over haar situatie per 26 december 2005.

De Raad concludeerde dat appellante in staat was de aan het besluit ten grondslag gelegde functies te verrichten en bevestigde daarom het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering per 26 december 2005 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

08/2542 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2008, 06/4647 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N.C.A. Elias-Boots, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld. Bij brieven van 15 en 16 juni 2009 zijn nadere producties ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift (met producties) ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Lavrijsen.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is op 6 november 2001 wegens nek- en schouderklachten uitgevallen als assistente personeelszaken. Met ingang van 5 november 2002 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2. Bij besluit van 2 november 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 26 december 2005 ingetrokken op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij het bestreden besluit van 17 oktober 2006 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is de rechtbank van oordeel dat de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. Daarbij heeft zij van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn oordeel over de belastbaarheid van appellante heeft meegenomen de door haar overgelegde informatie, waaronder de expertise van de neuro- en gezondheidszorgpsycholoog drs. A. Zaal. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 september 2005 wordt appellante beperkt geacht wegens verminderde belastbaarheid van de nek en schouders. Tevens is zij aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Voor de rechtbank is er geen aanleiding tot twijfel aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, die rekening houdend met de resultaten van het neuropsychologisch onderzoek van Zaal, tot de conclusie is gekomen dat bij appellante geen wezenlijke functiestoornissen op cognitief gebied, onder andere concentratiestoornissen, bestaan die meer beperkingen zouden veroorzaken dan zijn vastgesteld. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien te twijfelen aan het oordeel van het Uwv dat er geen aanwijzingen zijn om een urenbeperking aan te nemen op grond van de medische situatie van appellante. Naar het oordeel van de rechtbank moet appellante in staat worden geacht de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies te verrichten. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat met de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 september 2006 en 4 december 2006 voldoende duidelijk is gemotiveerd waarom de signaleringen binnen de belastbaarheid van appellante blijven.
4. De Raad heeft in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd - hetgeen grotendeels neerkomt op een herhaling van de reeds eerder aangevoerde grieven - geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie, met name in zijn rapport van 20 maart 2007, uitgebreid en overtuigend heeft gemotiveerd waarom het neuropsychologisch rapport van Zaal niet leidt tot het aannemen van meer beperkingen dan in de FML van 16 september 2005 zijn neergelegd. De Raad ziet geen noodzaak tot het benoemen van een deskundige. Ook het feit dat appellante na een ziekmelding vanuit de Werkloosheidswet met ingang van 18 juli 2006 door het Uwv volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, leidt de Raad niet tot een ander oordeel over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 26 december 2005. Uit de in hoger beroep in het geding gebrachte stukken komt weliswaar naar voren dat appellante door het Uwv op een aantal aspecten meer beperkt wordt geacht dan voorheen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op basis van de opgestelde FML van 29 februari 2008 aangegeven dat er onvoldoende theoretische arbeidsmogelijkheden zijn te duiden, hetgeen heeft geleid tot het aannemen van volledige arbeidsongeschiktheid per 18 juli 2006. Ten slotte overweegt de Raad, dat zelfs in het geval wordt uitgegaan van de op 29 februari 2008 opgestelde FML, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding, 26 december 2005, minder dan 15% is. De Raad verwijst naar het memo van de verzekeringsarts van 26 mei 2008, het rapport van de arbeidsdeskundige van 21 mei 2008 en de daarbij gevoegde stukken.
5. Uit het onder 4 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.
(get.) J.P.M. Zeijen.
(get.) A.C.A. Wit.
KR