ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8132

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2557 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 EPArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit herziening WAO-uitkering wegens motiveringsgebrek

Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 15-25%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat appellant terecht was herbeoordeeld op basis van het aangepaste Schattingsbesluit (aSb) en dat er geen medische beperkingen waren die een andere beoordeling rechtvaardigden.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij meer medische beperkingen had, waaronder een allergie voor huisstofmijt die hem zou beletten bepaalde functies uit te oefenen, en dat het herbeoordelingsproces onrechtvaardig was. De Raad verwierp deze bezwaren, verwijzend naar eerdere uitspraken en het ontbreken van nieuwe medische gegevens die de beperkingen zouden aantonen.

De Raad constateerde echter een motiveringsgebrek in de aangevallen uitspraak met betrekking tot de toelichting op de functies die appellant zou kunnen vervullen. Daarom vernietigt de Raad het besluit van 2 juni 2006, verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit volledig in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

08/2557 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 maart 2008, 06/5836 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2009. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 2 juni 2006 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv, beslissende in bezwaar, de uitkering van appellant met ingang van 21 november 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat, gelet op de datum in geding, appellant terecht herbeoordeeld is op basis van het aangepaste Schattingsbesluit (aSb). Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het medische onderzoek onzorgvuldig te achten. Evenmin zijn er volgens de rechtbank aanknopingspunten dat het medische oordeel niet juist is. Met betrekking tot het item “zitten” heeft de rechtbank overwogen dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt dat appellant op dat punt objectief medische beperkingen heeft. Appellant heeft in beroep geen medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het medische oordeel van de verzekeringsartsen. De in de voorgehouden functies voorkomende belasting overschrijdt appellants mogelijkheden om te functioneren niet.
2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij meer medische beperkingen heeft. Ten onrechte is geen urenbeperking aangenomen. Hij is niet in staat de voorgehouden functies te vervullen. Voorts is aangevoerd dat sprake is van schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), dat appellant ten onrechte is herbeoordeeld op basis van het aSb en dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid ten opzichte van WAO-gerechtigden die nog niet zijn herbeoordeeld.
3.1. Met betrekking tot de stelling van appellant dat ten onrechte herbeoordeling op basis van het aSb heeft plaatsgevonden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 april 2009 (LJN BH0312), waarin de Raad op dit punt heeft geoordeeld zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. De stelling van appellant dat sprake is van schending van artikel 1 van Pro het EP treft evenmin doel. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 23 juli 2009 (LJN BJ4397). Dat de herbeoordeling van appellant eerder heeft plaatsgevonden dan (een deel van) zijn leeftijdgenoten maakt evenmin dat sprake is van een “individual and excessive burden” voor appellant. Een dergelijk verschil is immers inherent aan de uitvoeringspraktijk aangezien niet iedereen op hetzelfde moment kan worden beoordeeld en niet ieder Uwv-kantoor tegelijk dezelfde leeftijdsgroep kan oproepen en beoordelen.
3.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de medische kant van de zaak bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens overgelegd die moeten leiden tot de conclusie dat appellant beperkt is op het item “zitten”. De Raad voegt daar voorts aan toe dat het feit dat appellant vanaf 2 november 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangt niet leidt tot een ander oordeel. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 7 november 2008 blijkt dat de ziekmelding heeft plaatsgevonden in verband met een liesbreuk en dat in juli 2008 maagkanker is geconstateerd. Uit de medische gegevens blijkt niet dat appellant door deze aandoeningen al beperkingen had op de datum in geding.
3.3. De Raad ziet voorts, evenmin als de rechtbank, redenen waarom appellant de geduide functies niet zou kunnen uitoefenen. De stelling van appellant dat hij allergisch is voor huisstofmijt en daarom de functie produktiemedewerker papier, karton, drukkerij niet kan uitoefenen slaagt niet. Uit het resultaat functiebeoordeling van deze functie blijkt niet van een kenmerkende belasting op het punt stof, rook, gassen en dampen. Aangezien pas in hoger beroep door middel van de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 juni 2009 voldoende is toegelicht dat appellant die functies kan vervullen, zal de Raad de aangevallen uitspraak - waarbij dit is miskend - vernietigen. Het besluit van 2 juni 2006 wordt vernietigd vanwege een motiveringsgebrek en de Raad zal de rechtsgevolgen daarvan in stand laten.
4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal
€ 1.288,=.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juni 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,=, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 144,= vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.C.A. Wit.
JL