Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8477

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4395 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van toekenning WGA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling door UWV

Appellante stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om haar recht op een WGA-uitkering toe te kennen, met name vanwege haar mening dat haar beperkingen en pijnklachten onvoldoende waren erkend. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de medische en arbeidskundige grondslagen van het besluit als juist beoordeeld.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en geen aanleiding gevonden om af te wijken van het oordeel van de rechtbank. De Raad acht de medische onderzoeken van de verzekeringsartsen zorgvuldig en de conclusies daarop gebaseerd juist. Tevens is vastgesteld dat de functies waarop de schatting is gebaseerd passend zijn voor appellante, mede gelet op de functionele mogelijkhedenlijst en arbeidskundige rapportages.

De Raad concludeert dat de medische gegevens, inclusief die van behandelaars en psychiatrische expertise, adequaat zijn betrokken bij de beoordeling. Een verslechtering van de gezondheidstoestand na 4 september 2006 is voor deze procedure niet relevant. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de WGA-uitkering aan appellante wordt bevestigd.

Uitspraak

08/4395 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 juni 2008, 07/3071 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 22 januari 2009 heeft het Uwv een vraagstelling van de Raad beantwoord.
Bij brief, bij de Raad ingekomen op 24 februari 2009, heeft appellante nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een andere zaak tussen partijen onder nummer 08/5440, plaatsgevonden op 4 maart 2009. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Onzen.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In beide zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Bij besluit van 1 november 2006 heeft het Uwv op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vastgesteld dat voor appellante met ingang van 4 september 2006 recht is ontstaan op een WGA-uitkering.
1.3. Bij besluit van 24 september 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 november 2006 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 24 september 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit voor juist gehouden, aangezien naar haar oordeel in voldoende mate met de (functionele) beperkingen van appellante rekening is gehouden. De rechtbank heeft zich ook met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen.
3. Het hoger beroep keert zich met name tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante meent, samengevat, dat haar (pijn)klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Appellante heeft er in dit verband mede op gewezen dat haar pijnklachten na 2006 verder zijn toegenomen.
4.1. Wat betreft de medische grondslag van de onderhavige schatting overweegt de Raad dat hij, met de rechtbank, geen aanknopingspunten heeft gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. De Raad is van oordeel dat niet is kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van appellante geen steun. De Raad acht bij het voorgaande van belang dat de verzekeringsartsen kennis hebben genomen van de omtrent appellante uit de behandelend sector (neuroloog, psycholoog en KNO-arts) beschikbare gegevens, terwijl zij voorts beschikten over gegevens afkomstig uit een op hun verzoek verrichte psychiatrische expertise. Het is de Raad niet gebleken dat met deze gegevens niet of onvoldoende rekening is gehouden. Naar aanleiding van de door appellante ingezonden, in rubriek I genoemde nadere stukken tekent de Raad nog aan dat een na
4 september 2006 in de gezondheidstoestand van appellante opgetreden verslechtering voor dit geding niet van belang is.
4.2. Ook wat betreft de vraag of de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt, schaart de Raad zich achter het oordeel van de rechtbank. Zo al gezegd moet worden dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 27 juni 2007 bij een enkel aspect een zogenoemde beperkende toelichting is opgenomen, ziet de Raad in de arbeidskundige rapportages van 28 augustus 2007 en 19 september 2007 – in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad te dezen (onder meer zijn uitspraak van 23 februari 2007, LJN AZ9153) – genoegzaam toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante als passend kunnen worden aangemerkt.
5. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.
(get.) H. Bolt
(get.) M.A. van Amerongen
TM