ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8695
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening aflossingscapaciteit bij invordering sociale zekerheidsuitkering
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage waarin het beroep van betrokkene gegrond werd verklaard over de vaststelling van zijn aflossingscapaciteit.
Betrokkene stelde dat bij de berekening onterecht rekening was gehouden met overuren en dat hij ernstige financiële problemen zou ondervinden als hij geen overuren meer kon maken, waardoor een lager aflossingsbedrag passend zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat UWV onvoldoende zorgvuldig onderzoek had verricht bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit. De Centrale Raad van Beroep volgt dit oordeel niet en oordeelt dat het aflossingsbedrag zodanig is vastgesteld dat betrokkene meer dan de beslagvrije voet overhoudt, conform artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De Raad stelt dat het terecht is dat geen rekening is gehouden met toekomstige onzekere gebeurtenissen zoals het wegvallen van overuren. Betrokkene kan bij wijzigingen in zijn inkomen het UWV verzoeken om herziening van het aflossingsbedrag. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.