ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks ziekte en zorgverhouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf 1996. Na een anonieme tip startte het College een onderzoek waaruit bleek dat appellante vanaf november 2004 een gezamenlijke huishouding voerde met een betrokkene, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand.
De rechtbank vernietigde het besluit van het College wegens onvoldoende motivering omtrent bijzondere omstandigheden voor terugvordering, waarna het College het besluit handhaafde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit nieuwe besluit ongegrond, met het oordeel dat de zorgrelatie en de ziekte van appellante geen dringende redenen voor afzien van terugvordering vormden.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar korte levensverwachting, de hereniging met haar dochter en de hoge kosten door ziekte wel degelijk dringende redenen zijn. De Raad benadrukte dat het bestaan van de gezamenlijke huishouding en de bevoegdheid tot terugvordering onherroepelijk zijn vastgesteld en dat alleen de vraag van dringende redenen voor afzien van terugvordering aan de orde is.
De Raad onderschreef de eerdere overwegingen dat de aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen zijn zoals bedoeld in de beleidsregels en de jurisprudentie. Ook wees de Raad op de bescherming van de beslagvrije voet bij invordering. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand omdat geen dringende redenen voor afzien zijn aangetoond.