ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8972
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opschorting, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzuim
Appellant ontving sinds 1985 een bijstandsuitkering en werd in 2006 geconfronteerd met een opschorting van zijn bijstand wegens het niet verstrekken van gevraagde informatie over zijn betrokkenheid bij het bedrijf van zijn broer. Het College schortte de bijstand op per 1 mei 2006 en gaf een hersteltermijn. Appellant reageerde met een brief die als bezwaarschrift moest worden aangemerkt, maar het College nam hierop geen beslissing.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2006 niet-ontvankelijk en vernietigde het besluit van 26 januari 2007 gedeeltelijk wegens een onjuiste wettelijke grondslag. In hoger beroep stelde appellant dat het College onterecht geen beslissing had genomen op zijn bezwaren tegen de opschorting en dat de rechtbank dit had moeten meenemen.
De Raad oordeelde dat de brief van appellant als bezwaarschrift tegen het opschortingsbesluit moest worden gezien en dat het ontbreken van een beslissing daarop strijdig was met artikel 8:69 Awb Pro. De Raad vernietigde het besluit voor zover het geen beslissing op dit bezwaar bevatte en besloot zelf op het bezwaar. De Raad bevestigde dat het College bevoegd was de bijstand op te schorten en in te trekken per 15 mei 2006 wegens verzuim van appellant en dat het College ook terecht de bijstand terugvorderde. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het besluit tot opschorting van de bijstand wordt vernietigd wegens het ontbreken van een beslissing op bezwaar, de intrekking en terugvordering worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.