ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9061

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5337 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na auto-ongeval wegens arbeidsgeschiktheid

Appellant was betrokken bij een auto-ongeval en meldde zich ziek vanwege diverse klachten. Het UWV beëindigde de Ziektewetuitkering omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde dat zijn klachten het gevolg waren van ziekte en dat hij niet kon werken.

De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts de juiste maatstaf hanteerde door de laatst verrichte arbeid als referentie te nemen. Uit medisch onderzoek bleek geen objectieve beperkingen voor arbeid, ondanks klachten zoals pijn en concentratieproblemen. Diverse medische rapporten van specialisten bevestigden geen afwijkingen die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen.

De Raad concludeerde dat de medische informatie onvoldoende aanleiding gaf om het besluit te herzien. De informatie van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige en fysiotherapeut had geen betrekking op de datum in geding. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant op de datum in geding geschikt was voor zijn arbeid.

Uitspraak

08/5337 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2008, 07/4794 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 30 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Bel, werkzaam bij FNV Bondgenoten te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.H. Benard, advocaat te Rotterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 1 maart 2007 betrokken geweest bij een auto-ongeval. Hij heeft zich op 2 maart 2007 ziekgemeld voor zijn arbeid als elektromonteur in verband met pijnklachten aan rug, nek en hoofd, concentratie- en geheugenproblemen en valneigingen. Vanaf april 2007 heeft appellant tevergeefs getracht in aangepaste arbeid te hervatten. Bij besluit van 12 september 2007 is de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) per 17 september 2007 beëindigd, omdat appellant geschikt geacht werd om zijn arbeid te verrichten.
1.2. Bij besluit van 5 maart 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 september 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet in staat is zijn arbeid te verrichten en dat zijn klachten het rechtstreeks en objectief-medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte. Het Uwv heeft dit betwist.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
4.2 De (bezwaar)verzekeringsarts heeft de functie van elektromonteur die appellant voor zijn ziekmelding per 2 maart 2007 heeft verricht als “zijn arbeid” in de hiervoor bedoelde zin aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad is de (bezwaar)verzekeringsarts van een juiste maatstaf uitgegaan.
4.3. De verzekeringsarts E. Westerveen heeft appellant onderzocht en geconcludeerd dat appellant objectief gezien geen beperkingen in lichamelijk of psychisch functioneren heeft. Bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman heeft overwogen dat zowel de verzekeringsarts als de revalidatiearts hebben aangegeven dat bij onderzoek geen beperkingen of afwijkingen zijn gevonden. Er kunnen geen psychische beperkingen worden aangenomen omdat psycho-pathologie ontbreekt. Bij onderzoek is van verminderde concentratie geen sprake. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant lijdt aan pijn- en spanningsklachten en dat er geen medische reden is om appellant ongeschikt te achten voor zijn arbeid.
4.4. In beroep heeft appellant informatie overgelegd van fysiotherapeut Van der Nat, huisarts Wuister, neuroloog Baard en de revalidatieartsen Angulo en Spakman-van de Graaf. De neuroloog heeft aangegeven dat bij onderzoek geen afwijkingen zijn vastgesteld. Revalidatiearts Spakman-van de Graaf heeft toegelicht dat sprake is van myalgische pijnklachten van de nek, schouders en rug, geheugen- en concentratieproblematiek, geregeld flauwvallen, duizeligheid, een ruis aan het rechteroor en overgevoeligheid voor licht en geluid. In reactie hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat deze informatie geen ander beeld geeft van de medische situatie. De klachten worden beschreven uitgaande van het verhaal van appellant. Er zijn geen contra-indicaties voor het verrichten van arbeid. In de aangevallen uitspraak is geoordeeld dat het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts zorgvuldig is en dat de overgelegde medische informatie daar tegenover onvoldoende gewicht in de schaal legt.
4.5. Appellant heeft in hoger beroep (nadere) informatie ingebracht van de huisarts, revalidatiearts Spakman-van de Graaf en neuroloog Gijsbers. Deze neuroloog heeft bij onderzoek in oktober 2008 vastgesteld dat sprake is van traumatische cervicale myelopathie. De neuroloog heeft verklaard dat de klachten van tintelingen in de armen en het linkerbeen er wel, maar dat het grootste gedeelte van de klachten er niet mee te maken hebben. In een reactie heeft de bezwaarverzekeringsarts toegelicht dat de ingebrachte informatie geen ander licht werpt op de zaak. De informatie duidt op pijnklachten en niet op beperkingen voor arbeid.
4.6. Voorts heeft appellant in hoger beroep informatie van fysiotherapeut Los en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige (SPV) Poeketie van 26 mei 2009 overgelegd. Bezwaarverzekeringsarts Hofman heeft verklaard dat de informatie van deze fysiotherapeut geen betrekking heeft op de situatie op de datum in geding en geen ander licht werpt op de zaak. Ten aanzien van de informatie van de SPV heeft het Uwv gesteld dat ook die niet van invloed is op de situatie op de datum in geding.
4.7. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van de
(bezwaar)verzekeringsarts zorgvuldig is. De door appellant overgelegde medische informatie leidt niet tot twijfel aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts. Evenals het Uwv is de Raad van oordeel dat de informatie van de SPV geen betrekking heeft op de datum in geding. Bezwaarverzekeringsarts Hofman heeft de overige informatie bezien en aangegeven dat deze geen nieuw licht werpt op de medische situatie op de datum in geding.
4.8. Appellant heeft gewezen op de rapportage van 13 juli 2009 van bezwaarverzekeringsarts Van Geest, waarin is geconcludeerd dat appellant per 23 maart 2009 ongeschikt is voor zijn arbeid. Appellant heeft gesteld dat op de datum in geding sprake was van dezelfde klachten - waaronder herhaaldelijk flauwvallen - als in 2009, maar dat pas in 2009 is gebleken dat deze klachten als objectief-medisch gevolg van ziekte of gebrek kunnen worden aangemerkt. Het Uwv heeft gesteld dat een ziekte geen statisch gegeven is en dat op de datum in geding niet vaststond dat de klachten als uiting van ziekte moesten worden beschouwd.
4.9. De Raad ziet in de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Geest onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat in weerwil van de conclusies van bezwaarverzekeringsarts Hofman appellant - achteraf gezien - per de datum in geding als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek niet in staat was zijn arbeid te verrichten. De Raad wijst erop dat neuroloog Baard bij onderzoek in juni 2006 geen afwijkingen heeft gevonden en dat bij neurologisch onderzoek in oktober 2008 een traumatische cervicale myelopatie is vastgesteld, waarvan neuroloog Gijsbers heeft aangegeven dat het grootste deel van de klachten (hoofdpijn, nekpijn en verminderde concentratie) daar niet mee te maken heeft.
5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) J.M. Tason Avila.
EK