AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing aanvraag gelijkstelling vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken causaal verband met ziekte
Appellant, geboren in 1938, diende in januari 2007 een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat zijn psychische en lichamelijke klachten het gevolg waren van het omkomen van zijn vader in 1944 tijdens de torpedering van het Japanse schip Junyo Maru.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat appellant zelf geen vervolging had ondergaan en er geen ziekten of gebreken waren vastgesteld die redelijkerwijs verband hielden met het overlijden van zijn vader. Appellant voerde aan dat hij leed aan een posttraumatische stressstoornis en dat het besluit in strijd was met algemene beginselen van behoorlijk bestuur omdat geen psychiatrisch specialist was geraadpleegd.
De Raad stelde vast dat de medische adviezen, waaronder een onderzoek door arts Ohlenschlager, een schizofrene stoornis met een erfelijke component vaststelden, zonder causaal verband met het overlijden van de vader. Ook de lichamelijke klachten konden niet aan het overlijden worden toegeschreven. De Raad oordeelde dat het overlijden van de vader slechts een ondergeschikte rol speelde in de klachten van appellant en dat de afwijzing van de aanvraag redelijk was.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. De beslissing werd genomen door voorzitter Beuker-Tilstra en leden Stevens en Mollee op 24 september 2009.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot gelijkstelling als vervolgingsslachtoffer wordt bevestigd.
Uitspraak
08/4057 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 24 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 30 mei 2008, kenmerk BZ 47298, JZ/O70/2008 (hierna: het bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2009. Namens appellant is daar verschenen mr. E.R. Schenkhuizen, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, in januari 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering en voorzieningen. Appellant heeft in dit verband vooral naar voren gebracht dat hij psychische klachten, rugklachten, elleboogklachten, suikerziekte en staar heeft ten gevolge van het omkomen van vader in 1944 toen het Japanse schip de Junyo Maru, waarop hij werd verscheept, werd getorpedeerd.
1.1. Bij besluit van 20 juli 2007, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen aanleiding bestaat om appellant, die zelf geen vervolging heeft ondergaan, met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen. Overwogen is dat het niet toepassen van de Wet geen klaarblijkelijke hardheid zou zijn, nu bij appellant geen ziekten of gebreken zijn geconstateerd waarvan kan worden aangenomen dat zij redelijkerwijs verband houden met het omkomen van vader.
1.2. In bezwaar en beroep is namens appellant betoogd dat de onderhavige aanvraag op dezelfde medische gronden is afgewezen als de eerder in 2001 gedane hernieuwde aanvraag in het kader van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, waarbij in de medische beoordeling destijds is vastgesteld dat appellant lijdt aan niet-causale schizofrenie. Betoogd is dat er sprake is van nieuwe psychische klachten die passen in het beeld van een posttraumatische stress stoornis. In het kader van deze (eerste) aanvraag in de zin van de Wet, is geen sprake van een eerdere beoordeling met betrekking tot relevante medische informatie. Door appellant in het kader van de Wet niet door een psychiatrisch bij uitstek deskundige te onderzoeken alvorens afwijzend te beslissen moet de bestreden beslissing volgens appellant geacht worden in strijd te zijn met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
1.3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
2.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster, onder meer, bevoegd om met de vervolgde gelijk te stellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 verkeerde in omstandigheden die overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat de Raad dient na te gaan of gezegd moet worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel of het bestreden besluit overigens in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel.
2.2. Verweerster heeft in het geval van appellant, zoals hiervoor al aangegeven, geweigerd van haar bevoegdheid tot gelijkstelling gebruik te maken, omdat naar haar oordeel het vereiste verband tussen het omkomen van vader ten gevolge van vervolging en het ontstaan van de psychische klachten van appellant ontbreekt. Verweerster heeft hierbij overwogen dat er geen ziekten of gebreken zijn waarvan kan worden vastgesteld dat deze redelijkerwijs verband houden met het omkomen van de vader van appellant. In het voetspoor van een nader advies van haar geneeskundig adviseur heeft verweerster het standpunt ingenomen dat het omkomen van vader slechts een beperkte rol heeft gespeeld in het ontstaan van de psychische klachten van appellant.
2.3. De Raad stelt vast dat het standpunt van verweerster dat bij appellant sprake is van een resttoestand van een schizofrene stoornis, in overeenstemming is met aan haar uitgebrachte adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Die adviezen berusten met name op door een van de adviseurs, de arts A.M. Ohlenschlager, ingesteld medisch onderzoek van appellant op 27 maart 2008. In dat advies is aangegeven dat er ten aanzien van de schizofrene stoornis een familiaire component bestaat die als erfelijke aanlegstoornis wordt beschouwd. Dit is redelijkerwijs niet in causaal verband te brengen met het omkomen van vader. De lichamelijke klachten kunnen evenmin redelijkerwijs in causaal verband worden gebracht met het omkomen van vader. Om die reden kan, aldus de adviseur, appellant niet met de vervolgde worden gelijkgesteld. De Raad stelt tevens vast dat het medisch advies mede gebaseerd is op recente medische informatie van de huisarts B.R. Westerman en van sociaal psychiatrisch verpleegkundige D.S. Steenaart, verbonden aan het GGZ Friesland-Noord.
2.4. De Raad acht het standpunt van verweerster op grond van deze adviezen naar behoren voorbereid en deugdelijk gemotiveerd. In de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan de juistheid van die medische adviezen te twijfelen. De Raad kan, gelet op het vorenstaande, het standpunt van appellant, dat er geen sprake is van recente medische informatie, dan ook niet volgen.
Gelet op de uitgebrachte medische adviezen acht de Raad onderzoek door een specialist niet noodzakelijk.
2.5. De Raad kan het oordeel van verweerster dat de psychische klachten van appellant, voor zover deze zijn te duiden als symptomen van de vastgestelde PTSS, in overwegende mate het gevolg zijn van de eigen oorlogservaringen van appellant niet voor onjuist houden. Het overlijden als gevolg van vervolging van appellants vader speelt in het geheel van de psychische klachten een zo ondergeschikte rol dat in redelijkheid geen causaal verband met dat overlijden kan worden aangenomen. Daarom kan niet worden gezegd dat verweerster in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren om appellant met de vervolgde gelijk te stellen. Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat dan ook geen grond.
3. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2009.