AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim door herhaald overtreden rijwetgeving
Appellant, werkzaam als hoofdagent bij de politieregio sinds 1994, werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim nadat hij vijfmaal de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen had overtreden. Hij werd hiervoor meermalen veroordeeld tot geldboetes, een vervangende vrijheidsstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid. Deze veroordelingen meldde hij niet aan de dienstleiding.
Tijdens de ontzegging reed appellant toch met zijn auto en verrichtte hij politiedienst op een politiemotor in uniform. De korpsbeheerder stelde hem buiten functie en legde hem ontslag op. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, maar zowel de rechtbank als de Raad oordeelden dat het gedrag ernstig plichtsverzuim vormde en hem toerekenbaar was.
De Raad concludeerde dat appellant bewust handelde en de gevolgen kende. Ook was er geen bewijs dat de korpsbeheerder onvoldoende zorgplicht had betracht. Gezien de ernst van de gedragingen werd het ontslag als proportioneel beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
08/2877 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van rechtbank Maastricht van 21 april 2008, 07/1960 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Korpsbeheerder van de Politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder).
Datum uitspraak: 8 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.G.J.M. Boonen, advocaat te Hoensbroek, hoger beroep ingesteld.
De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P.C.W. Tummers, werkzaam bij de politieregio.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant werkte sedert 1994 bij de politieregio, laatstelijk als hoofdagent. Op 18 mei 2007 is aan appellant medegedeeld dat een disciplinair onderzoek is ingesteld naar het vermoeden van ernstig plichtsverzuim. Hij is met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld en de toegang tot de dienstgebouwen is hem ontzegd. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek is aan appellant het voornemen meegedeeld tot het opleggen van strafontslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie wegens meermalen gepleegd ernstig plichtsverzuim. Appellant heeft zich vervolgens mondeling verantwoord. Dat heeft niet geleid tot een verandering van het standpunt van de korpsbeheerder en bij besluit van 19 juni 2007 is appellant per 3 juli 2007 wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.
1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 juni 2007. Bij het bestreden besluit van 28 september 2007 heeft de korpsbeheerder dat bezwaar ongegrond verklaard. De korpsbeheerder heeft aangegeven dat het ging om zeer ernstige en doorgaande gedragingen. Tevens is daarbij opgemerkt dat door meerdere functionarissen pogingen zijn ondernomen om appellant te ondersteunen. De korpsbeheerder heeft gesteld dat appellant zich bewust was van de situatie en dat hij bewuste keuzes heeft gemaakt zodat er geen twijfel is aan de toerekenbaarheid. De korpsbeheerder heeft de straf dan ook evenredig geacht aan het ernstige plichtsverzuim.
2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant de fouten heeft erkend. Naar het oordeel van de rechtbank kan het gedrag van appellant worden aangemerkt als doorgaand ernstig plichtsverzuim en is het aan appellant toe te rekenen. De rechtbank zag geen aanleiding voor het oordeel dat appellant zich er niet bewust van is geweest dat die gedragingen tot disciplinaire maatregelen zouden kunnen leiden. Het toepassen van de zwaarste sanctie beschouwde de rechtbank in dit geval niet als onevenredig.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de gedragingen hem niet zijn toe te rekenen. Verder acht appellant de straf onevenredig. Tenslotte benadrukt appellant dat de korpsbeheerder de op hem rustende zorgplicht onvoldoende is nagekomen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Vast staat dat appellant vanaf januari 2005 vijf maal de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen heeft overtreden en dat hij daarvoor meermalen is veroordeeld tot geldboetes, een (vervangende) vrijheidsstraf en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen. Appellant heeft deze veroordelingen niet gemeld bij de dienstleiding. Tijdens de ontzegging van de rijbevoegdheid heeft appellant met zijn auto gereden. Tevens heeft hij tijdens de ontzegging in uniform gekleed en rijdend op een politiemotor, politiedienst verricht.
4.2. Met de korpsbeheerder en de rechtbank is de Raad van oordeel dat hier sprake is van ernstig plichtsverzuim. De Raad heeft geen aanknopingspunten om te concluderen dat deze gedragingen appellant niet zouden zijn toe te rekenen. Dat appellant de gevolgen van zijn gedrag niet kon overzien blijkt op geen enkele wijze uit de door appellant ingebrachte stukken en is ook niet af te leiden uit de door hem ingebrachte medische gegevens. Appellant heeft integendeel op diverse momenten verklaard dat aan de gedragingen een bewuste keuze ten grondslag heeft gelegen.
4.3. Dat de korpsbeheerder onvoldoende zorgvuldig tegenover appellant zou hebben gehandeld blijkt niet uit de stukken. Ook daarvoor geldt integendeel dat moet worden vastgesteld dat de korpsbeheerder zich op diverse momenten aantoonbaar heeft ingespannen om appellant ter wille te zijn in zijn lastige financiële situatie.
4.4. Met de korpsbeheerder en de rechtbank is de Raad, gelet op de aard en ernst van de gedragingen dan ook van oordeel dat het ontslag daarom niet onevenredig is.
4.5. Het hoger beroep slaagt derhalve niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2009.