ECLI:NL:CRVB:2009:BK1017

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6138 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van bevoegdheid en procesbelang bij verzoek tot verhoging bijstandsnorm

Appellant heeft bij het College verzocht om een verhoging van de bijstandsnorm, niet om bijzondere bijstand, omdat hij de norm te laag achtte. Na uitblijven van een besluit werd een beroep ingesteld, dat door de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk werd verklaard en doorverwezen als bezwaar. Het College wees het bezwaar af wegens gebrek aan bevoegdheid om de norm te verhogen, een bevoegdheid die uitsluitend aan de wetgever toekomt.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen de beslissing op het verzoek ongegrond. Appellant ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraken. De Raad oordeelde dat appellant geen procesbelang meer had bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen, omdat inmiddels een beslissing was genomen en geen schade was gesteld.

Verder werd bevestigd dat het College niet bevoegd is om de bijstandsnorm in algemene zin te verhogen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en het verzoek tot verhoging van de bijstandsnorm wordt afgewezen wegens gebrek aan bevoegdheid van het College.

Uitspraak

08/6138 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2008, 08/3349 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2009. Appellant is verschenen. Het College heeft zich, zoals bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.
1.2. Bij brief van 2 januari 2008, gericht aan een medewerker van de directiestaf van het College, heeft appellant, voor zover hier van belang, verzocht om de voor hem geldende bijstandsnorm te verhogen. Daarbij gaat het hem, zoals hij nader heeft toegelicht, niet om toekenning van bijzondere bijstand, maar om verhoging van de norm in algemene zin, omdat hij die te laag vindt. Bij brief van 31 januari 2008 heeft een medewerker van het Klachten Dienstencentrum van de Dienst Werk en Inkomen bericht dat een verhoging van de bijstandsnorm niet mogelijk is.
1.3. Bij uitspraak van 3 juni 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank), naar aanleiding van een beroep van appellant, geconcludeerd dat het uitblijven van een besluit op appellants verzoek gelijk is te stellen met een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en om die reden het beroepschrift ter behandeling doorgezonden aan het College ter verdere behandeling als bezwaarschrift en voorts het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.
1.4. Bij de, ter uitvoering van voormelde uitspraak van de rechtbank genomen, beslissing op bezwaar van 12 augustus 2008 heeft het College geoordeeld dat geen verhoging van de norm zal plaatsvinden, omdat het College niet bevoegd is om de normen te verhogen. Voorts is het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek niet-ontvankelijk verklaard, omdat inmiddels op het verzoek is gereageerd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ten aanzien van het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ten aanzien van de beslissing op het verzoek van 2 januari 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt voorop dat de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2008 is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2008. Aangezien tegen die uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend, is de in die uitspraak aan het College gegeven opdracht om het beroepschrift van 18 april 2008 als bezwaarschrift in behandeling te nemen tegen het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig beslissen op het verzoek om verhoging van de bijstandsnorm bindend te achten.
4.2. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellant geen procesbelang meer heeft bij het beroep met betrekking tot het niet tijdig beslissen op het verzoek van 2 januari 2008, zodat dit beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Aangezien inmiddels een beslissing op dat verzoek was genomen en niet is gesteld dat schade is geleden door de trage besluitvorming, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat appellant in dit opzicht geen procesbelang meer heeft.
4.3. De Raad is voorts van oordeel dat het College bij de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2008 op goede gronden het verzoek van appellant om een hogere bijstandsnorm vast te stellen, heeft afgewezen, op de grond dat hij daartoe niet bevoegd is. De bevoegdheid om de bijstandsnorm in zijn algemeenheid te verhogen komt uitsluitend aan de wetgever toe. De rechtbank heeft het beroep tegen dit onderdeel van de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2008 dan ook terecht ongegrond verklaard.
4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2009.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) M. Pijper.
MM