ECLI:NL:CRVB:2009:BK1167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Toekenning overlijdensuitkering en verrekening onverschuldigde WAO-uitkering bij samenwonenden zonder erfgenaamstatus
Betrokkene leefde samen met de uitkeringsgerechtigde op basis van een samenlevingscontract, zonder dat sprake was van huwelijk of geregistreerd partnerschap. Na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde werd een overlijdensuitkering toegekend, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de na het overlijden ten onrechte doorbetaalde WAO-uitkering in mindering bracht, waardoor een bedrag werd teruggevorderd van betrokkene.
De rechtbank oordeelde dat verrekening niet mogelijk was omdat betrokkene geen erfgenaam was en dat een expliciete wettelijke grondslag ontbrak voor verrekening in die situatie. Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat artikel 53, zevende lid, van de WAO dwingend voorschrijft dat de te veel betaalde uitkering moet worden verrekend met de overlijdensuitkering, ongeacht erfgenaamstatus.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat vermindering op grond van artikel 53, zevende lid, van de WAO niet verder kan gaan dan het bedrag van de overlijdensuitkering zelf. Een resterende terugvordering moet worden gericht aan de erfgenamen. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van het UWV ongegrond.
Daarnaast oordeelde de Raad dat het beroepschrift van betrokkene inzake vergoeding van professionele bijstand niet tijdig was ingediend en wees dit verzoek af. Het UWV werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 70,- aan reiskosten van betrokkene en tot betaling van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.