ECLI:NL:CRVB:2009:BK1248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing verkorte wachttijd WAO bij toegenomen arbeidsongeschiktheid door andere ziekteoorzaak
Appellant, werkzaam als sorteerder, viel in januari 2001 uit en kreeg een WAO-uitkering toegekend voor 15-25% arbeidsongeschiktheid. In oktober 2004 meldde hij zich toegenomen arbeidsongeschikt. Het UWV besloot dat de verkorte wachttijd van vier weken niet van toepassing was, maar een wachttijd van 104 weken gold, en verhoogde de uitkering naar 80-100%.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het dagloon onterecht was vastgesteld, dat er sprake was van hetzelfde ziektebeeld en dat het UWV te laat was met de WAO-beoordeling, waardoor zijn bewijspositie slechter werd.
De Raad oordeelde dat het dagloon definitief was vastgesteld in een eerdere WW-beoordeling en dat de psychische klachten in 2002 van een andere aard waren dan de psychose in 2004. Daarom was de verkorte wachttijd niet van toepassing. De WAO-beoordeling vond tijdig plaats na 104 weken wachttijd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd waarbij het UWV terecht geen verkorte wachttijd toepaste.