ECLI:NL:CRVB:2009:BK1410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en vergoeding wettelijke rente na onrechtmatig besluit UWV
Appellant ontving een WAO-uitkering vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, welke door het UWV bij bezwaar werd gehandhaafd. In hoger beroep herzag het UWV dit besluit en stelde de arbeidsongeschiktheid over de periode 12 januari 2004 tot 19 mei 2005 vast op 80 tot 100%, waarmee het eerdere besluit werd ingetrokken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het beroep tegen het eerste besluit niet meer gericht kon zijn tegen het tweede, maar dat appellant nog belang had bij beoordeling van het eerste besluit wegens zijn verzoek om schadevergoeding. De Raad stelde vast dat het UWV het eerste besluit onrechtmatig had vastgesteld en kende vergoeding van wettelijke rente toe.
Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens geestelijk letsel werd afgewezen, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het onrechtmatige besluit een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 BW Pro opleverde.
Het verzoek tot herziening van de WAO-uitkering over de periode na 19 mei 2005 viel buiten de reikwijdte van dit geding en werd doorverwezen naar het UWV. De Raad vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de schade en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV werd vernietigd en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente, terwijl de immateriële schadevergoeding werd afgewezen.