ECLI:NL:CRVB:2009:BK1531

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3022 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen intrekking bijstandsuitkering wegens niet tijdig melden weduwenpensioen

Appellante ontving bijstand sinds 1999 en kreeg vanaf mei 2004 een weduwenpensioen na het overlijden van haar echtgenoot. Zij heeft dit pensioen niet gemeld aan het College, wat leidde tot een herziening van haar bijstand en terugvordering van €7.660,75. Het College beëindigde tevens haar bijstand per 1 juli 2006 vanwege haar verhuizing naar België.

Appellante maakte bij brief van 13 september 2006 bezwaar, maar dit was ruim na de wettelijke termijn van zes weken na het besluit van 29 juni 2006. De Raad oordeelde dat de brief als bezwaar tegen dit besluit moest worden gezien en dat de ontkenning van ontvangst van het besluit ongeloofwaardig was. De termijn voor bezwaar was derhalve verstreken zonder verschoonbare reden.

De rechtbank had het beroep van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante tegen de intrekking en terugvordering van bijstand wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

08/3022 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 april 2008, 07/1203 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Marne (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 14 juli 2009 heeft mr. B. van Dijk, kantoorgenoot van mr. Dieters, de Raad meegedeeld zich als opvolgend gemachtigde voor appellante te stellen.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 21 september 2009. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving sinds 10 januari 1999 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand. In verband met het overlijden van haar voormalige echtgenoot in mei 2004 ontvangt appellante vanaf 1 mei 2004 een weduwenpensioen. Van deze inkomsten heeft appellante het College geen melding gemaakt. Nadat uit onderzoek een en ander was gebleken heeft het College bij besluit van 29 juni 2006 de bijstand van appellante over de periode van 1 mei 2004 tot 1 januari 2006 herzien en de over deze periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 7.660,75 bruto.
1.2. Voorts heeft het College bij besluit van 5 september 2006 de bijstand van appellante beëindigd met ingang van 1 juli 2006 in verband met de mededeling van appelante op haar rechtmatigheidsformulier over de maand juni 2006 dat zij per 29 juli 2006 gaat verhuizen naar België en dat zij vanaf 1 juli 2006 geen rechtmatigheidsformulier meer zal inleveren.
1.3. Bij brief van 13 september 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt zonder melding te maken tegen welk besluit het bezwaar zich richt. Het College heeft dit bezwaarschrift - gezien de bewoordingen - aangemerkt als te zijn gericht tegen het besluit van 29 juni 2006 en appellante schriftelijk verzocht aan te geven waarom buiten de geldende bezwaartermijn van zes weken bezwaar is gemaakt. Appellante heeft hierop niet gereageerd. Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het College de bezwaren van appellante tegen dit besluit wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 juni 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Zij heeft hiertoe - samengevat - aangevoerd dat de bij brief van 13 september 2006 aangevoerde bezwaren zich zowel richten tegen het besluit van 5 september 2006 als tegen het - door appellante niet ontvangen - besluit van 29 juni 2006.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient - in geval van toezending van een besluit - voor de vaststelling dat aan de wettelijke voorwaarde voor het aanvangen van de bezwaartermijn is voldaan, zowel de verzending als de aanbieding van de zending (aan het juiste adres) vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. Indien het gaat om gevallen waarin uit de beschikbare gegevens volgt dat de belanghebbende het besluit wel eerder moet hebben ontvangen en de ontkenning van die eerdere ontvangst dus als ongeloofwaardig moet worden bestempeld, wordt niet alleen die ontvangst aannemelijk geacht, maar - zonder nader bewijs - ook de verzending.
4.4. De Raad stelt allereerst vast appellante in de brief van 13 september 2006 onder meer melding maakt van een tot haar gerichte brief waarbij haar wordt meegedeeld dat zij wegens fraude een bedrag moet terug betalen. Appellante heeft bezwaren tegen de kwalificering fraude en geeft vervolgens aan dat zij niet meer dan € 100,-- per maand zou kunnen aflossen. Gezien deze bewoordingen kan naar het oordeel van de Raad de brief van 13 september 2006 alleen worden aangemerkt als een tegen het besluit van 29 juni 2006 gericht bezwaar. De Raad acht de eerst in beroep gedane ontkenning van de ontvangst van het besluit van 29 juni 2006 dan ook niet geloofwaardig.
4.5. Gelet op hetgeen onder 4.4 is overwogen kan als vaststaand worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar is aangevangen op 30 juni 2006. De laatste dag waarop een bezwaarschrift kon worden ingediend was op 10 augustus 2006. Aangezien appellante eerst bij brief van 13 september 2006 tegen het besluit van 29 juni 2006 bezwaar heeft gemaakt stelt de Raad vast dat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift de termijn om bezwaar te maken ruimschoots was verstreken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. Het College heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 juni 2006 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.6. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2009.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) M. Pijper.
MM