Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2072

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5661 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 1:3 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening van uitspraak over WAO-uitkering

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak waarin zijn beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen het uitblijven van een reactie op zijn brief van 20 maart 2007 werd afgewezen. De Raad bevestigde dat de brief niet als een aanvraag in de zin van de Awb kon worden aangemerkt, waardoor het uitblijven van een reactie geen besluit was.

Verzoeker stelde dat de brief van 20 maart 2007 wel als aanvraag moest worden gezien, onder verwijzing naar een brief van het Uwv waarin deze kwalificatie werd gegeven. De Raad stelde echter vast dat het verzoek om herziening neerkomt op het openen van een nieuwe inhoudelijke discussie over de eerdere uitspraak.

De Raad benadrukte dat herziening alleen mogelijk is op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Omdat verzoeker geen dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd, wees de Raad het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

08/5661 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 augustus 2008, 07/7087,
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 augustus 2008, 07/7087.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009. Verzoeker is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde A.C. Nanlohy. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 21 van Pro de Beroepswet, kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
1.2. Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van 21 november 2007, 07/3687 van de rechtbank Arnhem tot ongegrond verklaring van het beroep van verzoeker tegen de niet-ontvankelijk verklaring door het Uwv van zijn bezwaren tegen het uitblijven van een reactie op zijn brief van 20 maart 2007, bevestigd. De Raad heeft daarbij het oordeel van de rechtbank dat de brief van verzoeker aan het Uwv van 20 maart 2007 niet aangemerkt kan worden als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb en mitsdien de reactie en daarmee ook het uitblijven van een reactie daarop van het Uwv niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, onderschreven. De Raad heeft voorts geoordeeld dat inhoudelijke kwesties zoals de herbeoordeling van de WAO-uitkering van verzoeker in het voorliggende geschil niet aan de orde kunnen komen.
2. Verzoeker heeft aan het verzoek om herziening onder meer ten grondslag gelegd dat de Raad in zijn uitspraak van 5 augustus 2008 ten onrechte heeft geoordeeld dat de brief van 20 maart 2007 een verzoek om informatie betreft en niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Awb. Hij heeft daarbij gewezen op de brief van het Uwv van 17 augustus 2007 waarin het Uwv de brief van verzoeker van 20 maart 2007 als een aanvraag heeft gekwalificeerd en dat daaraan ten onrechte is voorbijgegaan.
3.1. De Raad stelt vast dat het verzoek om herziening er in wezen op neerkomt dat verzoeker hiermee een nieuwe inhoudelijke discussie wil openen over de uitspraak van de Raad van 5 augustus 2008.
3.2. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN AN7982) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening evenwel niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb in verbinding met artikel 21 van Pro de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. De Raad is niet gebleken dat verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb, naar voren heeft gebracht.
3.3. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening dan ook te worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) J.M. Tason Avila.
JL