ECLI:NL:CRVB:2009:BK2256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over terugvordering WW-uitkering wegens onvoldoende motivering en verrekening met ZW-uitkering
Appellante ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering (ZW) die per 22 augustus 2005 werd beëindigd. Daarna kreeg zij een WW-uitkering met toeslagen, welke per 10 november 2005 weer werd beëindigd vanwege hernieuwde toekenning van de ZW-uitkering. Het UWV herzag en trok de WW-uitkering in en vorderde € 3.278,74 terug als onverschuldigd betaald.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV de terugvordering mocht uitvoeren. In hoger beroep stelde appellante dat de terugvordering onjuist was omdat een verrekening tussen ZW- en WW-uitkeringen ontbrak en er onverklaarde verschillen waren in de uitkeringsbedragen.
De Raad overwoog dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met artikel 4 van Pro de Beleidsregels, die verrekening van uitkeringen voorschrijft. Tevens ontbrak een inzichtelijke toelichting op de berekening en verklaring van de verschillen tussen ZW- en WW-uitkering. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze aspecten. Het UWV werd tevens veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot terugvordering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de beleidsregels.